Eerste vriesdagen

Ik had het echt niet meer verwacht, maar de voorbije zijn er in Tessenderlo toch al drie dagen op rij geweest met nachtvorst. Dat zou dan betekenen dat binnen drie weken de meeste volken broedloos zijn. De winterbehandeling kan dus misschien toch doorgaan begin december. Zou onze patroonheilige daar toch voor iets tussen zitten?

Ik ga in elk geval begin december een controle doorvoeren in de volken om te kijken of ze nog broed hebben. Op welke manier ik dat controleer zonder de volken te openen, laat ik dan wel zien met enkele foto’s. Een infraroodthermometer om de temperatuur tussen de raten te meten, bracht me enkele jaren geleden al de oplossing.

Jaarlijks nieuwe koninginnen

Regelmatig wordt de vraag gesteld hoe ik met de hedendaagse problemen in de imkerij omga. De varroaproblematiek heeft de selectie van goede koninginnen pas helemaal naar voor geschoven. Hoe selecteer ik mijn koninginnen? Eerst en vooral zou ik willen stellen dat ik als praktiserend dierenarts geen onbekende ben met selectie in de dierenwereld. Meer jongen, meer melkopbrengst, meer vlees… Eigenlijk gaat het steeds alleen maar over meer geld. Een duivenmelker die louter voor zijn hobby een paar duizend euro spendeert aan een goede kweekduif krijgt echter niet de garantie dat de nakomelingen even veel waard zullen zijn. Nog steeds zal hij moeten concurreren tegen de professionele hokken met het grote geld. De hobbyboer is zeker in België de laatste jaren wat uit het zicht verdwenen, maar twintig jaar geleden kocht deze werkmens nog geregeld een kalf om tegen de winter te slachten. Of hij had een jonge vaars laten bevruchten met duur sperma van een super-kwaliteitsstier. Het kalf werd dan later geslacht vooraleer het te groot werd voor zijn gezin. ‘Topzaad’ werd zo verkwanseld voor de productie van een paar honderd kilo eigen vlees. Een goedkoop kalfje had hem ook een lekker stuk vlees kunnen opleveren voor een fractie van de prijs. En dat is nu juist mijn punt: zware selectie is niet weg gelegd voor de hobbyist maar voor het groter goed. De imker met enkele volken kan geen extreme selectie doorvoeren. Maar hoe pas ik dan selectie toe in mijn imkerij?

Mijn bijen mogen gerust veel honing opleveren. Deze volken zoek ik dus. Ik imker niet met handschoenen en selecteer dus ook op zachtaardigheid. Ik draag wel een overall, maar hoofdzakelijk om propolis op mijn dagelijkse kledij te vermijden. De bijenstanden bevinden zich op enkele kilometers van thuis en ze staan niet in een woonzone. Helemaal goedaardig is dus ook weer niet nodig. Vermits ze niet bij mij thuis onder dagelijkse controle staan, gebeurt het wel eens dat het volk zwermt. Toch selecteer ik niet op zwermtraagheid. Zwermen beschouw ik namelijk als de natuurlijkste manier van voortplanting bij de honingbij. Dat wil ik er dus niet uitselecteren. Ik knip wel de vleugels van de koningin om deze zwermen niet te verliezen.

En ik geloof in de kracht van een nieuwe jonge koningin. Mijn bijenvolken krijgen dus elk jaar een nieuwe koningin. Vermits ik ze zo snel vervang, koop ik natuurlijk geen dure koninginnen aan. Mijn bijen kweken zelf hun koningin. Helemaal gratis. Natuurlijk is niet elk volk even goed maar een slecht volk is ook niet altijd te danken aan een slechte koningin. We verwachten daarentegen wel de beste koninginnen te kweken uit de beste volken. Hoe ik dit probeer op te lossen wil ik hier wel even uit de doeken doen.

Laat me ook nog even vermelden dat ik bijna 100% wasraten vervang per jaar en dat ik steeds vermijd om uitgewerkte ramen uit te wisselen tussen mijn volken. Ook dit is van belang in mijn methode.

De selectie van een supervolk. Of een imker nu vier of veertig volken bezit, blijft voor de selectie hetzelfde. Er zal steeds een middenmoot zijn, naast een paar betere en een paar slechtere volken. Ik hou het graag op 50% gemiddelde, 25% betere en ook 25% slechtere volken. Ik selecteer natuurlijk uit die 25% betere. Dat is voor een klein aandeel de kast (of kasten) die vorig jaar meer honing heeft opgeleverd. Het is vooral de kast die minder mijtenval vertoonde na de winterbehandeling. Die, vermoedelijk hierdoor, sterker uit de winter kwam en bijgevolg ook vroeger honing binnenbracht in het nieuwe voorjaar. Ik ken deze kasten al begin april. Het zijn namelijk ook de eersten die een honingzolder nodig hebben.

Ik kan dit ‘supervolk’ verder gebruiken als productiekast of ze alleen gebruiken als kweekvolk. Ik los dit weer op mijn eigen manier op. Eind april maak ik een koninginnenaflegger van deze kast. De koningin wordt dus opzij gezet voor later. Ze kan rustig een nieuw volk opbouwen. Het kweekvolk dat ik nodig heb in de zomer. Het grote volk dat ik moerloos heb gemaakt op deze manier gaat mij nu alvast een aantal jonge koninginnen opleveren. Dit doe ik via een zaagsnede. De rijpe moerdoppen worden uitgesneden en in een couveuse geplaatst. Na uitlopen van een dop, wordt de koningin ingebracht in een apideakastje. Het grote volk zelf behoudt een paar doppen en krijgt op deze manier eveneens een nieuwe koningin terwijl het volk vòòr de zomeroogst voldoende is hersteld. Het raam van de zaagsnede wordt na het uitlopen van die restdoppen, vervangen door een waswafel.

Een raam waar ik een zaagsnede heb toegepast ter hoogte van pas belegde cellen. De moerdoppen zijn dan makkelijk uit te snijden.
De couveuse, een broedkast voor reptieleneieren, met enkele uitgesneden moerdoppen.
De uitgelopen moer, klaar om in een apideakastje te zetten.
Apideakastjes in de boomgaard.

Eind april tot einde mei maak ik ook broedafleggers van al mijn productievolken. Eén broedraam en één voerraam samen met een waswafel in een nieuwe kast. Weer twee raten die worden vervangen door waswafels. Een eventuele zwermneiging wordt zo wat afgeremd. De broedafleggers maken al hun verdere raten zelf van waswafels.

Ik heb dus in mei een productievolk dat zich een nieuwe koningin kweekt, een tiental broedafleggers die zich een nieuwe koningin gaan kweken en een tiental apideakastjes die zich eveneens een nieuwe koningin gaan kweken. Het oorspronkelijke productievolk en de apideakastjes zijn dus allen afkomstig van mijn ‘supervolk’. Hier hou ik me verder even niet meer mee bezig. Ik hou vooral de broedafleggers in de gaten. Want ook hier kan ik weer 25% betere vinden. De 25% slechtere, met een te trage groei, slechte wasuitbouw, bultbroed…, worden van de koningin ontdaan en toegevoegd aan een andere broedaflegger. Ook als de bruidsvlucht is mislukt, gaan de bijen uit die broedaflegger bij een andere. Niet bij de beste, maar bij een gemiddelde die hierdoor toch beduidend sterker wordt. Ik hang de ramen met opzittende bijen simpel bij in de andere kast. Wel alleen uitgebouwde ramen. De twee oorspronkelijke ramen worden verwijderd en gesmolten. Elke broedaflegger heeft zo bij de inwintering slechts twee oude ramen aan de buitenkant en de rest hebben ze in het voorbije jaar zelf uitgebouwd. Net daarom is de broedaflegger het volgende jaar vaak de betere. Naast een jonge koningin ook pas uitgebouwde wasraten.

Komen we aan het volgende punt: de productievolken. Deze controleer ik wekelijks op zwermneiging en om darrenraat te snijden. In mijn situatie loopt de honingproductie met de lindenbloei ten einde half juli. Hierna heb ik geen grote volken meer nodig. Alleen volken die zich klaarmaken voor de inwintering. Belangrijk om weten is ook dat een honingbij in de zomer maar zes weken zou leven. De bij die tot half juli nectar binnenbrengt in de kast is dus al geboren begin juni. Eigenlijk heeft de koningin het ei al voor half mei gelegd. En net daarom besluit ik dat ik mijn oude koningin best al vervang in juni. Half juni om precies te zijn. Negen dagen later heeft dit volk geen broed meer te verzorgen. Want alle cellen zijn verzegeld. Er kunnen bijgevolg veel meer bijen worden ingezet om deel te nemen aan de zomeroogst en meer honing te produceren. Maar na vijf dagen verwijder ik alle redcellen. Het volk is dan wat we noemen: hopeloos moerloos. Dit is het moment om mijn kweekvolk boven te halen. Een klein cirkeltje, gesneden uit een belegde raat van dit volk is voldoende voor een nieuwe koningin. Zorg er wel voor dat er eitjes in dat rondje zitten en dan is het volgens mij geen ‘redcel’ die wordt opgetrokken. De opgekweekte koningin komt namelijk niet van een larve die nog op het nippertje werd gevonden. De bijen kunnen echt zelf vanaf dag 1, het ei, de koninginnendop klaar maken. Dat vind ik zelfs beter dan overlarven op dag vier, van een ééndagslarve. Ik kies een stukje raat met eitjes en laat de bijen dan zelf kiezen welke eitjes hun voorkeur krijgen. De overlarvende imker kiest een stukje raat met ééndagslarven en laat de bijen geen keuze. Een bijenvolk kiest vermoedelijk beter dan de imker met zijn loep.

Het uitsteekblikje met houten stamper en een uitgestoken rondje met eitjes.
Een ingeplant rondje eitjes in een moerloos volk. De eerste koningin die uitloopt blijft als enige in leven.

Een maand na het verwijderen van de koningin zijn we dus half juli. De honing is weggehaald. Er is geen verzegeld broed meer na 24 dagen, dus geen verborgen varroamijten. De jonge koningin is geboren en wellicht al op bruidsvlucht geweest en begonnen aan de eileg. We zijn enkele dagen na de honingoogst en we begeven ons weer naar de bijenstanden. Met een spuitbus, drie procent oxaalzuur bevattend en een pak honingzolders met uitgeslingerde honingramen. Eveneens een stapel broedbakken met nieuwe waswafels.

Van elk volk zet ik de broedbak even opzij. Op het omgekeerde deksel. Op de bodem zet ik dan een honingzolder met uitgeslingerde honingramen. Het vlieggat wordt nauw gezet tegen roverij. Slechts één tot twee bijenbreedte. Een nieuwe broedbak wordt leeg op de honingzolder gezet. Nu licht ik van de opzij gezette broedbak elk raam één voor één uit. De twee buitenste ramen, met stuifmeel en wat honing, worden in de nieuwe broedbak gehangen. Ze mogen absoluut geen broed bevatten. De opzittende bijen worden in een emmer afgeveegd. Ditzelfde doe ik nu met elk raam uit de oude broedbak. Deze ramen met broed, worden echter weggenomen om te worden gesmolten. Ik bewaar geen broed in broedtorens. Bijen heb ik voldoende op dat moment en oude bebroede ramen hebben ook geen enkele waarde. De nieuwe broedbak krijgt zo dus 10 nieuwe waswafels en de bijen in de emmer worden besproeid met het oxaalzuur alvorens ze in hun nieuwe broedbak te gieten. De jonge koningin kan, als ze dat wenst, dadelijk verder aan de leg op de onderste uitgeslingerde honingramen. Deze honingzolders zijn in het volgend voorjaar leeg en alle was wordt dan eveneens uitgesmolten. Indien ik twijfel over deze jonge koningin, zet ik een apideakastje boven op de broedbak. Hierin zit immers eveneens een jonge koningin van hetzelfde ‘supervolk’. Een voerbak boven op het volk maakt de situatie compleet. In de tweede helft van juli krijgt elk productievolk dus een proper geveegde bodem, een vernauwde vliegspleet tegen roverij, een honingzolder met uit te likken ramen die nog nooit zijn bebroed, tien waswafels op broedkamerformaat, een propere broedbak en een jonge koningin van een sterk volk. Ze zijn behandeld tegen de varroamijt met oxaalzuur tijdens een broedloze periode en ze krijgen een voerbak met suikersiroop. Slechts twee broedramen met wat stuifmeel en honing krijgen ze mee uit hun voorbije jaar.

Op deze manier bekom ik dus bij de inwintering een aantal broedafleggers met een jonge koningin en nieuwe waswafels en een aantal volwassen volken met een jonge koningin en nieuwe waswafels. Voor noodgevallen heb ik wellicht nog enkele apideakastjes over met een jonge koningin. In het voorjaar verkoop ik de volken die ik teveel heb of verenig ze simpelweg door twee volken gedurende een maand op elkaar te zetten.

Dit is slechts een methode die ik zo goed mogelijk tracht te volgen. Ook ik heb niet elk jaar even veel honing en ook bij mij kan wel eens een kweek tegenvallen door slecht weer tijdens de bruidsvluchten. Maar ik heb, sinds ik begon met mijn schoonvader in 2004, nooit koninginnen, bijenvolken of wasraten van elders dienen te gebruiken. Het allerbelangrijkste vind ik immers het weren van alle vreemde was. Liefst ook geen aangekochte waswafels, maar zeker nooit ofte nimmer gekregen, uitgebouwde ramen. Hierover meer in een ander artikel.

7 november 2021

Dit jaar zal ik voor het eerst geen winterbehandeling kunnen uitvoeren op de feestdag van de imkerheilige Sint Ambrosius. De bijen vliegen nog steeds uit tijdens de middaguren en de volgende veertien dagen wordt nog geen vorst voorspeld. We kunnen er pas van uit gaan dat er geen broed meer aanwezig is, drie weken na enkele vriesdagen. Ga ik dan dit jaar misschien niet behandelen. Absoluut wel. Volgens mij is de winterbehandeling even essentieel als de zomerbehandeling. Ik zal er dus zelf voor moeten zorgen dat ze even efficiënt is als tijdens andere jaren. Mocht er nog geen vorst zijn tegen eind november zal ik in december toch de oxaalzuurbehandeling doorvoeren. Alleen ga ik er dan van uit dat er geen broedloos volk is en bijgevolg is de behandeling niet zo efficiënt. En wettelijk of niet, ik laat mijn bijen niet verkommeren. Dan zal ik oxaalzuur sublimeren in plaats van bedruppelen. Een sublimatie kan zonder gevaar voor het bijenvolk worden herhaald en bijgevolg toch voldoende varroamijten af te doden. Er is natuurlijk veel meer werk aan de sublimatie. Voor elk volk heb je snel 10 minuten nodig en als je het dan nog een paar keer wenst te herhalen, vraagt dat veel meer tijd dan even snel 50 ml te druppelen in elke kast.

De Ouessantbok loopt alweer een week bij de kudde. Ik heb hem al een paar ooien zien besnuffelen. Hij krijgt in elk geval maar twee maanden de tijd om zijn lusten te botvieren. Met nieuwjaar gaan de ooien naar de aflammerweide. Dat perceel is met zijn zandgrond veel droger en zelfs enkele graden warmer dan in de natte broekweides. De ooien blijven daar dan tot ze in de vroege zomer zijn geschoren en worden dan weer omgewisseld met de bok, die ze pas in november terug zien.

18 oktober 2021

Nog steeds vliegen de bijen volop. In de vroege namiddag als ik naar de bijenstand fiets, is er steeds veel activiteit aan de vliegopening van de kasten. En er komen nog steeds bijen thuis met dikke gele proppen stuifmeel.

Mijn eigen veldje phacelia dat ik nog in augustus had ingezaaid, zal vermoedelijk geen bloei meer geven. Ik zie nog geen bloemknoppen terwijl de planten wel volledig zijn uitgegroeid. Het veld zal dus alleen een goede groenbemesting hebben gekregen.

Vorige week heb ik de laatste knotwilgtakken op maat gezaagd. Deze takken zijn in de schapenweide blijven liggen waar de schapen de meeste bast hebben afgeknaagd.

Nog een paar maand en we kunnen weer gaan knotten. Ik probeer wel elk jaar slechts een vierde van de wilgen te knotten. Er blijft dan nog genoeg bloei voor de bijen en de geknotte takken zijn dan ook dik genoeg voor de houtkachel.

Najaarscontrole

Eind september, begin oktober. De bijenvolken moeten nu echt klaar zijn voor de winter. Vandaag was een mooie dag voor een laatste check- up. Zeventwintig volken heb ik ingewinterd. Het was het moment om de voerbakjes te verwijderen en terug een plasticvel te leggen. Tegelijkertijd controleer ik op enkele ramen het aanwezige broed en de voedselkrans erboven. De volken die niet behandeld zijn met oxaalzuur in juli wegens niet broedloos, hadden twee strips Apivar gekregen gedurende 10 weken en die heb ik eveneens verwijderd.

Het voerbakje wordt verwijderd en het plasticvel gaat terug onder de vloerplank.
De bovenliggende was en propolis wordt verwijderd.
Eventueel aanwezige Apivarstrips worden verwijderd.
Broednest en voederkrans wordt even gecontroleerd.
En het ziet er soms erg mooi uit. Vooral in de jonge volkjes op slechts zeven tot negen broedramen.
Plastic er op en afblijven tot december.

Van de zeventwintig volken zijn er vijfentwintig prima. Bij twee volken vond ik open belegde moerdoppen naast verzegeld broed. Deze waren dus nog bezig aan een late moerwissel. In deze volken waren ook nog veel darren aanwezig. Ze hebben dit dus duidelijk voorzien. En in de maand oktober zijn er vermoedelijk nog voldoende mooie dagen voor een late bruidsvlucht. Deze volken zijn dus zeker nog niet verloren. Ik heb ze wel gemerkt op de achterkant van de kast. We zien wel in december of maart volgend jaar.

Suikersiroop

Momenteel ben ik nog steeds bezig om de bijenvolken elke week een liter suikersiroop te geven. Simpel om ze aan de gang te houden. Pas rond half september geef ik dagelijks een vol voerbakje van twee liter tot ze op gewicht zijn.

Elke ton bevat ongeveer 30 liter suikersiroop.
Met een maatbeker kan ik twee volken voeren.
Ze krijgen een liter per week.

Ik zet het deksel rechtop aan de voorkant. Op deze manier komt er slechts uiterst zelden een bij kijken wat die imker aan het doen is. Het plastic gaat terug onder de voederplank als het voeren gedaan is begin oktober. Daarboven komt dan terug een kussensloop gevuld met schapenwol.

Moestuin 2021

Eind augustus en de ganse moestuin is opgeruimd. Wegens wateroverlast en bijgevolg geen opbrengst. Maar niet getreurd. Er komen ooit nog wel betere tijden. Ga even terug in de tijd en deze blog en toen diende ik tijdens de zomermaanden dagelijks 100 liter water op te pompen om de droogte te overwinnen. Groenten zijn er nog steeds genoeg in de winkelrekken. En zelfs na de voorspelde prijsstijgingen blijven de groenten uit het rek goedkoper dan eigen gewin. Eigen gewin van steeds duurder geworden zaaigoed. Maar dat eigen gewin heeft meer smaak en geeft meer plezier. Daarom spijtig dat ik dit jaar die smaak moet ontberen. Het tuinplezier heb ik evenwel gehad. Grond voorbereiden. Zaaien en planten. Wieden. Nu weer de grond voorbereiden. Voor een late bloemenpracht. Phacelia inzaaien kan nog in augustus. Ik gebruik in een moestuin liever geen mosterd of koolzaad wegens gevaar op knolvoet als ik later koolsoorten wil zaaien. Laat ons hopen op een mooi zacht najaar.

Het aardbeibed en de twee courgetteplanten lijken de wateroverlast te hebben overleefd.

Ook de bijen hebben dit jaar een zeer speciaal jaar te verwerken. Nooit eerder oogstte ik zo weinig honing. Maar nooit eerder waren mijn volken in zo een goede doen. Alle volken zijn mooi in ontwikkeling. Er kwam en komt dan ook steeds zeer veel stuifmeel binnen. En honing is eigenlijk slechts een bijproduct. We nemen de overmaat weg en geven wat suikersiroop in de plaats. Momenteel gaat het nog zeer goed met de balsemienen en dan moet het najaar nog beginnen met de klimopbloesem.

Nieuwe kasten

Deze keer niet over bijenkasten, maar een berichtje over nestkastjes. Vermits ik nog wat cederhout op overschot had en vele kastjes versleten waren, heb ik enkele nieuwe gemaakt.

Mezenkastje in multiplex is op het einde van zijn loopbaan.
Boomkleverkastje is bewerkt door een specht.
Nieuw mezenkastje in red cedar.
Nieuw boomkleverkastje in red cedar. Het mezenkastje op de achtergrond was nog degelijk.
Vermits de bosuilkast ook was uiteengevallen heb ik deze cederhouten kast gehangen. Deze is wel aangekocht.
Tegelijkertijd heb ik ook een kast aangeschaft voor een eventuele steenuil.

De meeste van de tientallen kastjes worden bewoond door meesjes, maar de boomklever had het zijne in gebruik en ook de roodborstjes gebruikten hun kastje. De bosuil is dit jaar niet teruggekeerd maar de kast was al beschadigd aan het dak. Daarom nu een nieuwe.

Het roodborstkastje.

Ik zie tegenwoordig ook eekhoorntjes. Waarschijnlijk komen ze af op de tientallen hazelaars die ik heb aangeplant. Daarom maak ik deze week ook nog een kastje voor deze rode noteneters.

Maar naast vogels verschaf ik ook nestgelegenheid aan andere insecten dan bijen. Maar zelfs een merel gebruikt jaarlijks dit insectenhotel. Een echte all-in dus.
De Warrekast is voor mij ook een insectenhotel. De zwerm die er vorig jaar introk, had dit jaar wel nood aan uitbreiding. En achter de deurtjes van de kijkglazen woont een mierenkolonie. Vorige week werd de ingang nog verkend door een doodshoofdvlinder. Spijtig genoeg sloeg hij op de vlucht toen ik hem wou fotograferen.