Controle van de bijenvolken op 5 december 2021

Begin december en weldra is het de naamdag van Sint Ambrosius, de patroonheilige van de imkers. Rond dit tijdstip plan ik meestal de winterbehandeling tegen de varroamijt. Dan verkrijg ik op deze manier de zegen voor een volgend goed imkerjaar.

Ik begin alvast met de bodemschuiven terug te plaatsen. Binnen drie dagen kan ik dan de vrije varroaval tellen en volgend weekend de behandeling doorvoeren

Daarna weeg ik de kasten. Dit geeft me een idee over de aanwezige voedervoorraad. Ze bleken allemaal prima. Begin januari weeg ik ze nog eens.

Het gewicht langs de achterkant gewogen met een unster moet ik nog met twee vermenigvuldigen voor het totaalgewicht. Onder de dertig kilo voorzie ik een pak voederdeeg.

Daarna verwijder ik het deksel en krijg zicht op het bijenvolk door het plastic. De volken zitten niet tegen het plastic. Vermits ze onder de voederkrans hangen, weet ik zeker dat ze nog een hoeveelheid voeder boven zich hebben. Zodra ze boven zijn, beweegt de tros naar achter. Nu bevindt hij zich nog aan de voorkant van de kast.

Op dit moment wil ik echter weten of de bijen broedloos zijn. Dat is namelijk het enige goede moment om een behandeling te kunnen doorvoeren met oxaalzuur tegen de gevreesde varroamijt. Een bijentros houdt het broednest steeds op 35 graden. Boven een broednest is hierdoor steeds een hogere temperatuur te meten dan naast het nest. Boven een broednest heb ik de voorbije jaren steeds temperaturen gemeten van 24-26graden. Ik meet bijgevolg even de open straatjes. Zowel aan de buitenkanten waar geen bijen zitten als de straatjes boven de tros.

De straatjes aan de zijkanten geven hier -2.1 graden. Er zitten hier geen bijen.
Ook hier een vriestemperatuur en dus geen bijen.
De middelste straatjes langs de voorzijde zijn duidelijk warmer. Maar de temperatuur duidt hier toch op de afwezigheid van broed.

Geen enkele kast had nog een hogere temperatuur die duidde op een aanwezig broednest. Elke kast had nog wel een trostemperatuur op de middelste straten. De bijen zijn dus nog aanwezig. En vermits ik ze niet zie tegen het plastic hebben ze nog een voederkrans boven zich.

Volgend weekend geven ze temperaturen van 1 tot 6 graden. Ik kan dus behandelen op de vlotste, snelste en eveneens de legale wijze. Ik ga bedruppelen met een oxaalzuursuikeroplossing. Volgende week meer hierover.

De honingoogst

Hier ga ik even uit de doeken doen hoe ik de honing oogst en daarna klaarmaak voor gebruik. Eigen gebruik of verkoop. Alles begint bij een gezond uitgewinterd bijenvolk omstreeks half maart. Op dat moment verwijder ik de onderstaande honingbak van het volk en leg een koninginnenrooster. Hierboven komt dan de eerste honingbak. Dat is de gewoon de onderste bak maar dan met zuivere ramen. De mooiste honingramen heb ik vorig jaar na de laatste oogst in juli, gedurende 48 u in een diepvriezer gezet.

Op deze manier gaan wasmotten, hun eitjes en larven die eventueel meekomen al dood. Ik plaats ze daarna per 12 in een afgesloten container en stapel deze gewoon in de bijenhal.

In het voorjaar gebruik ik zes van deze uitgewerkte honingramen om centraal in de eerste honingbak te hangen. links en rechts hang ik dan nog drie waswafels. De uitgewinterde honingramen, die onder het volk zaten, gaan mee naar huis om te smelten. Ergens in april of mei zijn alle ramen uitgewerkt en de eerste honingramen al verzegeld. Dit zijn altijd de centrale ramen. Bij de wekelijkse controles, neem ik deze dan mee naar huis om te slingeren.

Ik hang de overige ramen naar het midden en geef langs de buitenkanten nieuwe waswafels om uit te bouwen. Zodra de zes waswafels zijn uitgewerkt, geef ik ze ook een tweede honingbak. Deze bevat alleen waswafels om uit te bouwen. Ik plaats hem altijd onder de eerste op de koninginnenrooster. Volgens mij stockeren de bijen hun honing altijd bovenaan. Dan wordt de onderste ook sneller uitgebouwd. Maar wekelijks worden er bij goede drachten verzegelde honingramen mee naar huis genomen. De eerste zes honingramen, die nog van vorig jaar waren, worden na het slingeren, gesmolten. Maar ramen die hetzelfde jaar mooi zijn uitgewerkt, hang ik wel terug na leeg slingeren. Elke oogst krijgt een ander lotnummer. De oogstdatum met een letter van de bijenstand. Bijvoorbeeld 28052021W is geoogst op 28 mei 2021 op de stand aan het Waterbroek. Deze honing krijgt dan later als uiterste gebruiksdatum eind mei 2023. Twee jaar na de oogst. Naast de oogstdatum noteer ik ook telkens het vochtgehalte van de honing. Wettelijk moet dit lager zijn dan 20% wat geen probleem is als alle cellen zijn verzegeld. Vaak haal ik 16-17%.

Zodra ik dan thuiskom met enkele gesloten containers begin ik aan het slingeren. In elke container zaten bij vertrek 12 ramen met waswafels en als ik terugkeer zitten er 9 verzegelde honingramen in diezelfde bak. Deze ramen worden ontzegeld met een elektrisch verwarmd ontzegelmes.

Ik heb een ontzegelvork geprobeerd maar dat duurt me te lang. Dat gebruik ik wel nog om enkele vlakken te ontzegelen die niet werden meegenomen met het elektrisch mes. Ook met hete lucht heb ik testen gedaan. Een haardroger werkte prima maar een verfafbrander was sneller. Alleen vliegen de wasdekseltjes rond uw oren en door het ganse slingerlokaal. Er is dan wel geen tot zeer weinig ontzegelwas. Met het elektrisch mes echter worden de spekraten mee afgesneden tot tegen het raamhout. De ramen zijn dan veel zuiverder te slingeren en er wordt zeer veel ontzegelwas geproduceerd. De honing die nog in de ontzegelbak uitlekt op deze manier wordt eveneens gezeefd en vooral door mezelf gebruikt. Om een elektrisch mes te kunnen gebruiken moeten de raampjes wel overal even dik zijn. Dus geen Hofmanraampjes maar wel afstandbleddens in de bakken.

De raampjes hangen bij mij in afstandsbleddens. Deze metalen strips zorgen er voor dat alle ramen op bijenafstand in de kast en naast elkaar blijven hangen.

Terwijl ik negen ramen ontzegel, slinger ik de negen eerder ontzegelde ramen. Door voortdurend te investeren, kan ik dit werk steeds vlotter en alleen afhandelen. Ik begon met een manuele tangentiele slinger met drie ramen. Drie broedramen of zes broedramen. Maar met een manuele slinger kun je niet tegelijk de volgende ramen ontzegelen. Ofwel werk je veel trager of je krijgt hulp van iemand. Ik heb daarom de slinger omgebouwd tot een gemotoriseerde radiaalslinger. Nu passen er negen honingramen tegelijk in en de ramen moeten niet worden gedraaid. Alle cellen worden tegelijk langs de beide kanten leeg geslingerd. Ik begin met een heel laag toerental en telkens als ik het volgende raam begin te ontzegelen, verhoog ik de draaisnelheid een klein beetje.

Ik laat de honing in de slinger tot het niveau bijna tegen de slingerkorf is gestegen. Er zijn dan al veel onzuiverheden naar boven gestegen die anders de zeven zouden verstoppen. Tijdens het wisselen van de ramen zet ik dan even de kraan open en laat een deel van de honing door een dubbele zeef lopen in een inox emmer. Als deze emmer vol is , plaats ik een nieuwe en giet de eerste over in een rijpervat.

Hier had ik de honing zonder zeven in een rijpervat gedaan om pas uren later te zeven. De meeste onzuiverheden zijn dan al opgestegen en de zeven blijven zo veel langer zuiver.

Het rijpervat blijft daarna gesloten gedurende 2 dagen en dan wordt de honing afgeschuimd. Hierdoor verwijdert men de kleine onzuiverheden die toch nog door de zeven zijn gegaan. Voorjaarshoning giet ik daarna in een automatische roerder. Gedurende ongeveer twee dagen roert deze de honing elk uur gedurende een kwartier. Dan begint voorjaarshoning vaak al te kristalliseren en worden de glazen gevuld. Voorjaarshoning is zeer zacht met kleine kristallen en is ook snel te verkopen. De klanten wachten immers al meerdere weken op de verse honing van het nieuwe jaar. Op het etiket vermeld ik daarom ook steeds ‘primeur’.

De roerautomaat die ik heb aangeschaft, kan de honing ook opwarmen indien nodig.
Zodra de honing niet meer doorzichtig is, kan hij worden opgepot.

Maar zodra het seizoen vordert en er meer en meer honing wordt geoogst, ga ik anders te werk. Zeer veel glazen in een kelder nemen veel plaats in en zijn daarenboven ook zeer breekbaar. Daarom bewaar ik de grootste hoeveelheid honing in plastic zakken (Stevige zakken die in de horeca worden gebruikt om vlees sous-vide te koken). Deze zakken van 15-17 kg sluit ik af met een plastic strap en plaats ze in een plastic honingemmer. Op de emmer wordt het gewicht en het vochtgehalte genoteerd naast het lotnummer. Op deze manier kan ik op een veilige manier honderden kilo’s honing in mijn kelder opstapelen.

De honingemmers blijven op deze manier ook zuiver.
Onder de keldertrap is zo plaats voor meer dan 500 kg honing.

Zodra mijn laatste glazen bijna zijn verkocht, neem ik een emmer uit de kelder en zet hem gedurende anderhalve dag in een steriliseerketel bij 35 graden. De honing wordt dus au-bain-marie terug vloeibaar en kan dan worden ingepot. Elke emmer levert dan ongeveer dertig nieuwe potten vloeibare honing.

In de steriliseerketel past een emmer perfect.
Een afvulemmer met kraan op een hellend vlakje zorgt voor een simpeler vullen.

Deze honing is weliswaar even terug naar 35 graden gebracht, maar heeft hierdoor zeker niet aan kwaliteit verloren. Het grote voordeel is zelfs dat hij helemaal niet werd geroerd en bijgevolg ook geen lucht heeft opgenomen. Tijdens de zomermaanden twee maanden roeren gedurende meerdere minuten om smeerbare vaste honing te produceren is niet mijn idee van hygiënisch werken. Na het rijpervat blijft mijn honing de ganse tijd luchtdicht afgesloten. Zodra de honing vloeibaar is, snij ik de zak langs onder open in een aftapvat. Twee uur later zijn de enkele luchtbelletjes opgestegen en kan ik de honing al in glazen afvullen en direct sluiten.

De honingautomaat aan de deur wordt telkens aangevuld. Een leeg honingglas in het kastje bevat wat wisselgeld.

Op het etiket vermeld ik naast alle wettelijke informatie ook nog dat men te hard gekristalliseerde honing best terug vloeibaar kan maken door het potje even warmer te zetten maar nooit boven 40°C.

Een eigen waskringloop

Zodra ik begon als imker was ik overtuigd van het belang van zuivere was in bijenvolken. De meeste gezondheidsproblemen die een bijenvolk echt ten gronde kunnen richten, zijn broedziekten. De varroamijt is natuurlijk de bekendste. Maar de varroamijt heeft ook veel virussen in de mogelijkheid gebracht om bijen aan te tasten. En waar bevinden deze virussen zich zoal? Overal. Maar in de onmiddellijke omgeving van de bijen hebben ze wel het meeste voordeel. Dat geldt immers voor elke ziektekiem of parasiet. Net daarom is hygiëne zo belangrijk. We houden als mensen onze woning ook zo proper mogelijk en verversen regelmatig de lakens op ons bed. Een bijenkast is ook een woning en de wasraten beschouw ik als de vloer van ons huis. Of als ons bed. De wasdekseltjes zijn dan als onze lakens. Ik begon daarom al in mijn eerste imkerjaren met de productie van eigen waswafels. Het waswafeltoestel was een dure investering, maar misschien wel de beste die ik ooit deed.

Momenteel heeft elke Vlaamse imker de mogelijkheid om waswafels te laten gieten van zijn eigen was. Dankzij de inzet van de Limburgse imkervereniging en de mensen van Lieteberg. De aanschaf van een eigen waswafeltoestel is dus niet meer nodig. Vermits ik net als alle Limburgse imkers de eerste vijf jaar gratis 20 kg was mag laten wafelen, heb ik mijn eigen toestel voorlopig opzij gezet. Vanaf dit jaar kunnen ook niet-Limburgse imkers terecht bij Lieteberg met hun eigen was.

Klaar om weg te brengen, Sommige blokken moet ik nog wat kleiner kappen.
Mooie waswafels gefabriceerd bij Lieteberg vorige jaar.

Ik ververs jaarlijks bijna 100% van de raten. Ik verbruik dus zeer veel waswafels. Maar door de oude ramen te smelten bekom ik zo natuurlijk ook veel eigen was. De hoeveelheid eigen was wordt elk jaar gewoon groter. Want de bijen krijgen wel waswafels, maar ze produceren zelf veel nieuwe was. Ze werken de waswafels uit tot mooie raat. Ze maken zegeltjes om de cellen te sluiten en ze bouwen de darrenraten helemaal zelf. Het is bijgevolg perfect mogelijk om niet alle was terug om te zetten tot waswafels. Want we gebruiken bij voorkeur alleen de zuiverste was en halen de vuilste uit de kringloop. Dit is de essentie van een eigen gesloten waskringloop.

De stoomwassmelter voor 24 ramen.
De was van
broedramen gaat uit mijn kringloop.
De stoomwassmelter kan perfect dienen als ontzegelstand.
De zuivere ontzegelwas is goud waard voor de eigen imkerij.
Het resultaat van een enkele stoombeurt.

Bestrijdingsmiddelen die we als imker in de kast brengen tegen de varroamijt mogen natuurlijk niet opstapelen in was. Oxaalzuur zou niet opstapelen in de was. Maar de broedramen die worden besproeid, gaan toch uit de kringloop. Het uitgesneden darrenraam is was van maximaal 3 weken oud en de zegeltjes van de honingramen zijn ook maar enkele weken oud. Deze was is dus zeer zuiver. Ik gebruik hem dan ook voor de productie van honingramen. Hoe zuiverder de was in een honingraam, hoe zuiverder de honing kan zijn. De honingramen die dadelijk na de honingoogst worden gesmolten zijn nog zuiver genoeg voor de productie van broedramen. Ze waren nog nooit bebroed en ik beschouw ze dus vrij van broedziekten. De honingramen zijn trouwens niet ouder dan vier maanden. Ik gaf ze in maart een honingzolder en slingerde de laatste keer in juli. De honingramen die ik in het vroege voorjaar onder de broedbakken weghaal, zijn wellicht nog wel een enkele keer bebroed geweest in de nazomer en ze stonden ook onder de kast tijdens de winterbehandeling. Deze was gebruik ik ook nog voor mijn broedramen, maar alleen als tweede keuze. Een reserve als het ware. Maar de vele broedramen die ik elk jaar weer smelt, leveren veel was die ik verwijder uit de kringloop. Voor de productie van kaarsen en boenwas is deze prima geschikt. Soms wordt deze was verkocht aan restaurateurs of aan mensen die batikken. Elk blok was wordt gemerkt: B voor bebroede was, H voor honingwas, Z voor zuiver van zegelwas of darrenraat.

Verontreinigingen uit de omgeving worden door de bijen natuurlijk ook binnengebracht in de kast en zo ingebouwd in de wasraten. Dat kunnen allerlei pesticiden en herbiciden zijn. Wellicht ook industriële vervuilingen. Maar hier hebben we als imker weinig controle over. Ik ga er maar van uit dat dit wel meevalt als we de raten toch jaarlijks vervangen. Hoe minder vaak bijen over de wasraten wandelen met hun vuile pootjes, hoe zuiverder de raat is bij smelten. Blijft een of ander product in de was, zelfs na uitsmelten en opnieuw uitbouwen, kan de concentratie hiervan natuurlijk steeds verhogen. Maar dat is toch niet op te lossen. Het steeds weggooien van de broedkamerwas zorgt dan wel voor een verdunning. Met 12 broedramen en 24 honingramen van halve hoogte, gooi ik jaarlijks eigenlijk de helft van de was uit mijn kringloop.

Zelfs met een goedkope ketel kokend water kan je was uitsmelten.
Een simpele stoomwassmelter is een fruitontsapketel.
Maar rechtstreeks uitstomen in de broedbakken kan ook met een behangafstomer.

Eerste vriesdagen

Ik had het echt niet meer verwacht, maar de voorbije zijn er in Tessenderlo toch al drie dagen op rij geweest met nachtvorst. Dat zou dan betekenen dat binnen drie weken de meeste volken broedloos zijn. De winterbehandeling kan dus misschien toch doorgaan begin december. Zou onze patroonheilige daar toch voor iets tussen zitten?

Ik ga in elk geval begin december een controle doorvoeren in de volken om te kijken of ze nog broed hebben. Op welke manier ik dat controleer zonder de volken te openen, laat ik dan wel zien met enkele foto’s. Een infraroodthermometer om de temperatuur tussen de raten te meten, bracht me enkele jaren geleden al de oplossing.

Jaarlijks nieuwe koninginnen

Regelmatig wordt de vraag gesteld hoe ik met de hedendaagse problemen in de imkerij omga. De varroaproblematiek heeft de selectie van goede koninginnen pas helemaal naar voor geschoven. Hoe selecteer ik mijn koninginnen? Eerst en vooral zou ik willen stellen dat ik als praktiserend dierenarts geen onbekende ben met selectie in de dierenwereld. Meer jongen, meer melkopbrengst, meer vlees… Eigenlijk gaat het steeds alleen maar over meer geld. Een duivenmelker die louter voor zijn hobby een paar duizend euro spendeert aan een goede kweekduif krijgt echter niet de garantie dat de nakomelingen even veel waard zullen zijn. Nog steeds zal hij moeten concurreren tegen de professionele hokken met het grote geld. De hobbyboer is zeker in België de laatste jaren wat uit het zicht verdwenen, maar twintig jaar geleden kocht deze werkmens nog geregeld een kalf om tegen de winter te slachten. Of hij had een jonge vaars laten bevruchten met duur sperma van een super-kwaliteitsstier. Het kalf werd dan later geslacht vooraleer het te groot werd voor zijn gezin. ‘Topzaad’ werd zo verkwanseld voor de productie van een paar honderd kilo eigen vlees. Een goedkoop kalfje had hem ook een lekker stuk vlees kunnen opleveren voor een fractie van de prijs. En dat is nu juist mijn punt: zware selectie is niet weg gelegd voor de hobbyist maar voor het groter goed. De imker met enkele volken kan geen extreme selectie doorvoeren. Maar hoe pas ik dan selectie toe in mijn imkerij?

Mijn bijen mogen gerust veel honing opleveren. Deze volken zoek ik dus. Ik imker niet met handschoenen en selecteer dus ook op zachtaardigheid. Ik draag wel een overall, maar hoofdzakelijk om propolis op mijn dagelijkse kledij te vermijden. De bijenstanden bevinden zich op enkele kilometers van thuis en ze staan niet in een woonzone. Helemaal goedaardig is dus ook weer niet nodig. Vermits ze niet bij mij thuis onder dagelijkse controle staan, gebeurt het wel eens dat het volk zwermt. Toch selecteer ik niet op zwermtraagheid. Zwermen beschouw ik namelijk als de natuurlijkste manier van voortplanting bij de honingbij. Dat wil ik er dus niet uitselecteren. Ik knip wel de vleugels van de koningin om deze zwermen niet te verliezen.

En ik geloof in de kracht van een nieuwe jonge koningin. Mijn bijenvolken krijgen dus elk jaar een nieuwe koningin. Vermits ik ze zo snel vervang, koop ik natuurlijk geen dure koninginnen aan. Mijn bijen kweken zelf hun koningin. Helemaal gratis. Natuurlijk is niet elk volk even goed maar een slecht volk is ook niet altijd te danken aan een slechte koningin. We verwachten daarentegen wel de beste koninginnen te kweken uit de beste volken. Hoe ik dit probeer op te lossen wil ik hier wel even uit de doeken doen.

Laat me ook nog even vermelden dat ik bijna 100% wasraten vervang per jaar en dat ik steeds vermijd om uitgewerkte ramen uit te wisselen tussen mijn volken. Ook dit is van belang in mijn methode.

De selectie van een supervolk. Of een imker nu vier of veertig volken bezit, blijft voor de selectie hetzelfde. Er zal steeds een middenmoot zijn, naast een paar betere en een paar slechtere volken. Ik hou het graag op 50% gemiddelde, 25% betere en ook 25% slechtere volken. Ik selecteer natuurlijk uit die 25% betere. Dat is voor een klein aandeel de kast (of kasten) die vorig jaar meer honing heeft opgeleverd. Het is vooral de kast die minder mijtenval vertoonde na de winterbehandeling. Die, vermoedelijk hierdoor, sterker uit de winter kwam en bijgevolg ook vroeger honing binnenbracht in het nieuwe voorjaar. Ik ken deze kasten al begin april. Het zijn namelijk ook de eersten die een honingzolder nodig hebben.

Ik kan dit ‘supervolk’ verder gebruiken als productiekast of ze alleen gebruiken als kweekvolk. Ik los dit weer op mijn eigen manier op. Eind april maak ik een koninginnenaflegger van deze kast. De koningin wordt dus opzij gezet voor later. Ze kan rustig een nieuw volk opbouwen. Het kweekvolk dat ik nodig heb in de zomer. Het grote volk dat ik moerloos heb gemaakt op deze manier gaat mij nu alvast een aantal jonge koninginnen opleveren. Dit doe ik via een zaagsnede. De rijpe moerdoppen worden uitgesneden en in een couveuse geplaatst. Na uitlopen van een dop, wordt de koningin ingebracht in een apideakastje. Het grote volk zelf behoudt een paar doppen en krijgt op deze manier eveneens een nieuwe koningin terwijl het volk vòòr de zomeroogst voldoende is hersteld. Het raam van de zaagsnede wordt na het uitlopen van die restdoppen, vervangen door een waswafel.

Een raam waar ik een zaagsnede heb toegepast ter hoogte van pas belegde cellen. De moerdoppen zijn dan makkelijk uit te snijden.
De couveuse, een broedkast voor reptieleneieren, met enkele uitgesneden moerdoppen.
De uitgelopen moer, klaar om in een apideakastje te zetten.
Apideakastjes in de boomgaard.

Eind april tot einde mei maak ik ook broedafleggers van al mijn productievolken. Eén broedraam en één voerraam samen met een waswafel in een nieuwe kast. Weer twee raten die worden vervangen door waswafels. Een eventuele zwermneiging wordt zo wat afgeremd. De broedafleggers maken al hun verdere raten zelf van waswafels.

Ik heb dus in mei een productievolk dat zich een nieuwe koningin kweekt, een tiental broedafleggers die zich een nieuwe koningin gaan kweken en een tiental apideakastjes die zich eveneens een nieuwe koningin gaan kweken. Het oorspronkelijke productievolk en de apideakastjes zijn dus allen afkomstig van mijn ‘supervolk’. Hier hou ik me verder even niet meer mee bezig. Ik hou vooral de broedafleggers in de gaten. Want ook hier kan ik weer 25% betere vinden. De 25% slechtere, met een te trage groei, slechte wasuitbouw, bultbroed…, worden van de koningin ontdaan en toegevoegd aan een andere broedaflegger. Ook als de bruidsvlucht is mislukt, gaan de bijen uit die broedaflegger bij een andere. Niet bij de beste, maar bij een gemiddelde die hierdoor toch beduidend sterker wordt. Ik hang de ramen met opzittende bijen simpel bij in de andere kast. Wel alleen uitgebouwde ramen. De twee oorspronkelijke ramen worden verwijderd en gesmolten. Elke broedaflegger heeft zo bij de inwintering slechts twee oude ramen aan de buitenkant en de rest hebben ze in het voorbije jaar zelf uitgebouwd. Net daarom is de broedaflegger het volgende jaar vaak de betere. Naast een jonge koningin ook pas uitgebouwde wasraten.

Komen we aan het volgende punt: de productievolken. Deze controleer ik wekelijks op zwermneiging en om darrenraat te snijden. In mijn situatie loopt de honingproductie met de lindenbloei ten einde half juli. Hierna heb ik geen grote volken meer nodig. Alleen volken die zich klaarmaken voor de inwintering. Belangrijk om weten is ook dat een honingbij in de zomer maar zes weken zou leven. De bij die tot half juli nectar binnenbrengt in de kast is dus al geboren begin juni. Eigenlijk heeft de koningin het ei al voor half mei gelegd. En net daarom besluit ik dat ik mijn oude koningin best al vervang in juni. Half juni om precies te zijn. Negen dagen later heeft dit volk geen broed meer te verzorgen. Want alle cellen zijn verzegeld. Er kunnen bijgevolg veel meer bijen worden ingezet om deel te nemen aan de zomeroogst en meer honing te produceren. Maar na vijf dagen verwijder ik alle redcellen. Het volk is dan wat we noemen: hopeloos moerloos. Dit is het moment om mijn kweekvolk boven te halen. Een klein cirkeltje, gesneden uit een belegde raat van dit volk is voldoende voor een nieuwe koningin. Zorg er wel voor dat er eitjes in dat rondje zitten en dan is het volgens mij geen ‘redcel’ die wordt opgetrokken. De opgekweekte koningin komt namelijk niet van een larve die nog op het nippertje werd gevonden. De bijen kunnen echt zelf vanaf dag 1, het ei, de koninginnendop klaar maken. Dat vind ik zelfs beter dan overlarven op dag vier, van een ééndagslarve. Ik kies een stukje raat met eitjes en laat de bijen dan zelf kiezen welke eitjes hun voorkeur krijgen. De overlarvende imker kiest een stukje raat met ééndagslarven en laat de bijen geen keuze. Een bijenvolk kiest vermoedelijk beter dan de imker met zijn loep.

Het uitsteekblikje met houten stamper en een uitgestoken rondje met eitjes.
Een ingeplant rondje eitjes in een moerloos volk. De eerste koningin die uitloopt blijft als enige in leven.

Een maand na het verwijderen van de koningin zijn we dus half juli. De honing is weggehaald. Er is geen verzegeld broed meer na 24 dagen, dus geen verborgen varroamijten. De jonge koningin is geboren en wellicht al op bruidsvlucht geweest en begonnen aan de eileg. We zijn enkele dagen na de honingoogst en we begeven ons weer naar de bijenstanden. Met een spuitbus, drie procent oxaalzuur bevattend en een pak honingzolders met uitgeslingerde honingramen. Eveneens een stapel broedbakken met nieuwe waswafels.

Van elk volk zet ik de broedbak even opzij. Op het omgekeerde deksel. Op de bodem zet ik dan een honingzolder met uitgeslingerde honingramen. Het vlieggat wordt nauw gezet tegen roverij. Slechts één tot twee bijenbreedte. Een nieuwe broedbak wordt leeg op de honingzolder gezet. Nu licht ik van de opzij gezette broedbak elk raam één voor één uit. De twee buitenste ramen, met stuifmeel en wat honing, worden in de nieuwe broedbak gehangen. Ze mogen absoluut geen broed bevatten. De opzittende bijen worden in een emmer afgeveegd. Ditzelfde doe ik nu met elk raam uit de oude broedbak. Deze ramen met broed, worden echter weggenomen om te worden gesmolten. Ik bewaar geen broed in broedtorens. Bijen heb ik voldoende op dat moment en oude bebroede ramen hebben ook geen enkele waarde. De nieuwe broedbak krijgt zo dus 10 nieuwe waswafels en de bijen in de emmer worden besproeid met het oxaalzuur alvorens ze in hun nieuwe broedbak te gieten. De jonge koningin kan, als ze dat wenst, dadelijk verder aan de leg op de onderste uitgeslingerde honingramen. Deze honingzolders zijn in het volgend voorjaar leeg en alle was wordt dan eveneens uitgesmolten. Indien ik twijfel over deze jonge koningin, zet ik een apideakastje boven op de broedbak. Hierin zit immers eveneens een jonge koningin van hetzelfde ‘supervolk’. Een voerbak boven op het volk maakt de situatie compleet. In de tweede helft van juli krijgt elk productievolk dus een proper geveegde bodem, een vernauwde vliegspleet tegen roverij, een honingzolder met uit te likken ramen die nog nooit zijn bebroed, tien waswafels op broedkamerformaat, een propere broedbak en een jonge koningin van een sterk volk. Ze zijn behandeld tegen de varroamijt met oxaalzuur tijdens een broedloze periode en ze krijgen een voerbak met suikersiroop. Slechts twee broedramen met wat stuifmeel en honing krijgen ze mee uit hun voorbije jaar.

Op deze manier bekom ik dus bij de inwintering een aantal broedafleggers met een jonge koningin en nieuwe waswafels en een aantal volwassen volken met een jonge koningin en nieuwe waswafels. Voor noodgevallen heb ik wellicht nog enkele apideakastjes over met een jonge koningin. In het voorjaar verkoop ik de volken die ik teveel heb of verenig ze simpelweg door twee volken gedurende een maand op elkaar te zetten.

Dit is slechts een methode die ik zo goed mogelijk tracht te volgen. Ook ik heb niet elk jaar even veel honing en ook bij mij kan wel eens een kweek tegenvallen door slecht weer tijdens de bruidsvluchten. Maar ik heb, sinds ik begon met mijn schoonvader in 2004, nooit koninginnen, bijenvolken of wasraten van elders dienen te gebruiken. Het allerbelangrijkste vind ik immers het weren van alle vreemde was. Liefst ook geen aangekochte waswafels, maar zeker nooit ofte nimmer gekregen, uitgebouwde ramen. Hierover meer in een ander artikel.

18 oktober 2021

Nog steeds vliegen de bijen volop. In de vroege namiddag als ik naar de bijenstand fiets, is er steeds veel activiteit aan de vliegopening van de kasten. En er komen nog steeds bijen thuis met dikke gele proppen stuifmeel.

Mijn eigen veldje phacelia dat ik nog in augustus had ingezaaid, zal vermoedelijk geen bloei meer geven. Ik zie nog geen bloemknoppen terwijl de planten wel volledig zijn uitgegroeid. Het veld zal dus alleen een goede groenbemesting hebben gekregen.

Vorige week heb ik de laatste knotwilgtakken op maat gezaagd. Deze takken zijn in de schapenweide blijven liggen waar de schapen de meeste bast hebben afgeknaagd.

Nog een paar maand en we kunnen weer gaan knotten. Ik probeer wel elk jaar slechts een vierde van de wilgen te knotten. Er blijft dan nog genoeg bloei voor de bijen en de geknotte takken zijn dan ook dik genoeg voor de houtkachel.

Najaarscontrole

Eind september, begin oktober. De bijenvolken moeten nu echt klaar zijn voor de winter. Vandaag was een mooie dag voor een laatste check- up. Zeventwintig volken heb ik ingewinterd. Het was het moment om de voerbakjes te verwijderen en terug een plasticvel te leggen. Tegelijkertijd controleer ik op enkele ramen het aanwezige broed en de voedselkrans erboven. De volken die niet behandeld zijn met oxaalzuur in juli wegens niet broedloos, hadden twee strips Apivar gekregen gedurende 10 weken en die heb ik eveneens verwijderd.

Het voerbakje wordt verwijderd en het plasticvel gaat terug onder de vloerplank.
De bovenliggende was en propolis wordt verwijderd.
Eventueel aanwezige Apivarstrips worden verwijderd.
Broednest en voederkrans wordt even gecontroleerd.
En het ziet er soms erg mooi uit. Vooral in de jonge volkjes op slechts zeven tot negen broedramen.
Plastic er op en afblijven tot december.

Van de zeventwintig volken zijn er vijfentwintig prima. Bij twee volken vond ik open belegde moerdoppen naast verzegeld broed. Deze waren dus nog bezig aan een late moerwissel. In deze volken waren ook nog veel darren aanwezig. Ze hebben dit dus duidelijk voorzien. En in de maand oktober zijn er vermoedelijk nog voldoende mooie dagen voor een late bruidsvlucht. Deze volken zijn dus zeker nog niet verloren. Ik heb ze wel gemerkt op de achterkant van de kast. We zien wel in december of maart volgend jaar.

Suikersiroop

Momenteel ben ik nog steeds bezig om de bijenvolken elke week een liter suikersiroop te geven. Simpel om ze aan de gang te houden. Pas rond half september geef ik dagelijks een vol voerbakje van twee liter tot ze op gewicht zijn.

Elke ton bevat ongeveer 30 liter suikersiroop.
Met een maatbeker kan ik twee volken voeren.
Ze krijgen een liter per week.

Ik zet het deksel rechtop aan de voorkant. Op deze manier komt er slechts uiterst zelden een bij kijken wat die imker aan het doen is. Het plastic gaat terug onder de voederplank als het voeren gedaan is begin oktober. Daarboven komt dan terug een kussensloop gevuld met schapenwol.