19 mei 2019

Gisteren en vandaag heb ik bij de controles broedafleggers gemaakt. Vier stuks. In zevenramers. Ze bieden plaats voor zes broedramen en een voerraam. Ik haalde de voerramen uit de vriezer en uit elk volk twee ramen met vooral verzegeld broed. Hierbij zoek ik naar de oudste ramen. Ze worden dan vervangen door nieuwe waswafels. Hierdoor hebben de bijen weer wat om handen en verminderd hun zwermneiging. Deze verzamelbroedafleggers controleer ik op de vijfde dag om de gesloten doppen te breken. Op de twaalfde dag kan ik dan de eerste tuter verwachten. De koningin die als eerste uitloopt.

Volgende week gaat vermoedelijk de robinia massaal in bloei. Op sommige plaatsen is het al zo ver, heb ik vandaag gemerkt. Maar aan mijn bijenstand duurt dit toch nog wel een ganse week. Slechts enkele bomen vertonen aan een paar bloemtrosjes al een wit puntje. Het eerste phaceliaveldje begint nu ook voorzichtig tot bloei te komen. Het is het veldje waar de phacelia na de winter zelf is opgekomen.

Doppen breken.

Vorig weekend is er tijdens de wekelijkse controle spijtig genoeg een koningin gestorven. Toen ik ze met het klemmetje van de raat wou nemen, sprong het veertje uit de klem. Hierdoor klapte het klemmetje helemaal dicht en kwam de koningin precies met haar borststuk knel te zitten tussen de kaken van het klemmetje.

Een moerloos volk kweekt dan zelf wel een nieuwe koningin. Een aantal eitjes of larven worden dan verzorgd als ware het koninginnen. Ze groeien dan op in een omgebouwde broedcel. Een zogenaamde redcel. Nu is het voor de bijen natuurlijk het beste als ze zo snel mogelijk een nieuwe koningin aan de leg hebben. Daarom gebruiken ze soms jonge larfjes die eigenlijk al iets te oud zijn om nog volwaardig om te bouwen tot een goede koningin.

Op dag vier komt de larve uit het ei en alleen dan krijgt dit larfje echte koninginnenbrij. Dus dezelfde voeding als een jonge koninginnenlarve krijgt. Daarna, tot de negende dag krijgt een werksterlarve een andere voeding dan een toekomstige koningin. Wordt een redcel nu opgebouwd vanaf een eitje, krijgt deze larve alleen maar pure koninginnenbrij en dus alles wat ze nodig heeft om een prima koningin te worden. Om hier nu zeker van te zijn, controleer ik het volk op dag vijf. Alle moerdoppen die dan al zijn gesloten, haal ik weg. De doppen worden pas gesloten op dag negen en dus zijn alleen open cellen op deze vijfde dag begonnen van een eitje. Natuurlijk heb ik slechts op een raam een aantal open doppen gelaten. Alleen dit raam moet ik dan nog controleren op dag dertien. Dit is voor een dop die is opgezet van een driedaags eitje, namelijk de dag dat de koningin uitloopt. Er is met slechts dat ene raam een grote kans dat de eerste koningin de andere moertjes in de dop dood steekt. Ze vind deze vlakbij op hetzelfde raam en moet niet de ganse bak doorzoeken. Na 16 uur controleer ik zelf dit raam en open alle doppen die dan nog dicht zijn. De uitlopende moertjes vechten het dan tijdens de nacht zelf wel uit. Het risico op een nazwerm kan ik op deze manier uitsluiten.

Het mag duidelijk zijn dat het bijhouden van een agenda voor een imker onontbeerlijk is. En weer of geen weer, goesting of niet, deze werkjes moeten op de exacte dag gebeuren.

Koningin invoeren in apidea

Vandaag heb ik weer zes moertjes ingevoerd in apideakastjes. Vermits de dames onverwacht ter beschikking kwamen, heb ik nog snel even zes apidea’s gevuld met een koffiebekertje bijen. Ik heb uit drie volken drie honingramen afgeklopt in een emmer en ze licht beneveld met oxaalzuur tegen de varroamijten. De bijen uit de honingzolders zijn de jonge bijen die we nodig hebben in bevruchtingskastjes. Er zitten ook geen darren bij. De kistjes stonden al even klaar met een wasstripje en een portie voederdeeg. De bijen zelf doe ik er pas op het laatste moment in. Wel wacht ik een paar uur vooraleer ik een moer toe toevoeg. De bijen moeten zich best eerst moerloos voelen. En om helemaal zeker te zijn van de vlotte aanvaarding, voer ik soms de moer in via een kunstdop. Dit is een wasdop die ik zelf maak met een houten stokje. Het ene uiteinde van de kunstdop is open en aan de andere kant maak ik met een naald een klein gaatje. Langs hier wordt de moer bevrijd door de bijen en de veronderstelling is dat de bijen elke moer aanvaarden als ze uit een wasdop is gekomen. Al zijn er zelfs imkers die de moer gewoon langs de vliegopening naar binnen laten wandelen. Vermits in dit geval de jonge bijen en de moeren niet uit hetzelfde volk kwamen en dus niet dezelfde geur hebben, verkoos ik nu de wasdop. Als het  moertje in de dop is gekropen, plet ik voorzichtig de achterkant dicht en hang hem tussen de raampjes via de invoeropening in het plastic deksel.dsc_2470dsc_2471dsc_2469dsc_2472

Tweede volk met rijpe doppen

Vandaag ook weer op dag 12 en dit keer vond ik 2 uitgelopen doppen. Ik heb uit voorzorg, vlak voor het sluiten van de kast, een derde moer laten inlopen. Vier andere rijpe doppen nam ik mee. Er werden tevens 4 apidea kastjes klaargemaakt.dsc_2461

De 4 doppen gingen in de couveuse en na amper een half uur waren er weer 2 uitgelopen. De moertjes heb ik dan in de huiskamer op tafel gemerkt. Groen, nummers 3 en 4. Zodra de lijm droog was, liet ik ze in een apideakastje inlopen.dsc_2463dsc_2464dsc_2466

 

Apidea kastje

Gisteren heb ik enkele moerdoppen uitgesneden. Ik wacht meestal niet op een tuter. De volken staan ook niet bij mij thuis en dan is dat niet praktisch. Ik ga gewoon op de twaalfde dag de kast controleren. Het eerste raam met een paar mooie doppen zet ik even opzij. Daarna snij ik van alle andere ramen de rijpe doppen uit en verniel de onrijpe. Als ik een uitgelopen dop vind, laat ik geen enkele meer staan. Anders krijgt het volk twee doppen op hetzelfde raam dat al opzij stond. De eerst uitlopende moer steekt dan de andere wel af in de dop.

Zo vond ik gisteren een uitgelopen dop en bracht ook nog drie doppen mee naar de couveuse. Dezelfde avond had ik

een apidea kastje gevuld met een koffiebekertje bijen uit de honingzolder. Zodra een moer in de couveuse uitliep, heb ik ze gemerkt en laten inlopen in het apidea kastje. Dit kastje blijft twee dagen koel en donker binnen alvorens naar de stand te vertrekken. Deze morgen bleven de bijen echter onrustig zoemen en ik vreesde al dat het moertje dood was. Na het water geven met een spuitje aan het rooster begon de moer echter te tuten. In een apidea had ik dit nog nooit gehoord. Ogenblikkelijk werden alle bijen rustig en nu zoemt het apidea kastje al de ganse voormiddag zeer rustig. Morgenavond breng ik het kastje naar het Waterbroek waar de moer dan op bruidsvlucht kan vertrekken.