Mijn tiendaagse wintersportvakantie zit er weer op. De dikste knotwilgen zijn weer geknot en de afwateringsgracht op de perceelsgrens is weer open gemaakt. Ook dit is een jaarlijks terugkerend event.
De schapen zijn dit weekend ook weer weggehaald bij de bok. Van 25 maart tot 25 mei kunnen dan de lammeren worden geboren.
Maar ook een winterwandeling staat dan regelmatig op het programma. Op nieuwjaarsdag bijvoorbeeld op de heide in Averbode.
Ongeveer elke vier jaar knot ik de wilgen langs de perceelsgrenzen. Op deze manier hoef ik slechts een 25 % te doen elk jaar. De 75 % die ik niet snoei, leveren nog veel stuifmeel voor de bijen. Maar het gaat dan ook over ongeveer 250 knotwilgen in totaal.
De dikke takken worden later nog op maat gezaagd tot haardhout. De dunne twijgen heb ik direct verhakseld op het wandelpad.
De platwilgen beginnen reeds te knoppen en de hazelaars hangen vol stuifmeelkaarsjes. Maar voor de bijen begint het pas tegen februari als de hazelaars het stuifmeel lossen.
De donkerbruine glanzende rondjes zijn gevallen varroamijten.
De meeste volken vertonen na een week een mijtenval van 50 tot 100 mijten. Drie volken spanden echter de kroon en lieten een veel grotere hoeveelheid optekenen. Dit waren wel de grootste en sterkste volken. Dat zijn vermoedelijk ook diegene die het langst een groot broednest hadden. Hier heeft de varroamijt natuurlijk van mee geprofiteerd. Of het nu gebeurt door de hoeveelheid parasiterende varroamijten of door allerlei virusziekten die ze overbrengen, maakt geen verschil uit. Zonder winterbehandeling is zulk bijenvolk ten dode opgeschreven. En meestal waren het dan de beste volken van het voorbije jaar.
Vandaag heb ik de laatste 12 volken behandeld. Deze staan in Gerhagen. Het is er veel droger dan aan het Waterbroek. Pure zandgronden met veel dennenbossen. Slechts een viertal produktievolken kunnen er floreren om honing te produceren, maar ik zet er ook elk jaar een deel van mijn jongvolken. En daar doen die het beduidend beter dan aan het Waterbroek. De volken zijn er weer groot en gezond. Ik had daar wel op 25 september al opgemerkt dat er nog twee kasten waren met aangezette moerdoppen en slechts verzegeld broed. Deze volken hadden dus toen besloten dat ze een nieuwe koningin nodig hadden. Een succesvolle bruidsvlucht zo laat op het jaar is niet evident maar ook niet onmogelijk. En vandaag blijkt dat dit al zeker voor één volk slecht is afgelopen. Dat volk had slechts een handvol bijen onder een grote voedselvoorraad. Ik heb ze nog bedruppelt met oxaal maar ik ben al wel zeker dat ze volgende maand weg zijn. Ik heb dus momenteel nog 25 van de 27 volken. Ik vind een verlies van 10% van de volken vrij normaal. Ik zet deze wel niet allemaal op rekening van de varroamijt. Ook de volken met een late moerwissel, zoals ik vandaag aantrof, horen daar bij.
Rond Nieuwjaar ga ik elk volk weer een isolatiekussen met schapenwol geven onder het dak. Ze kunnen dan het nieuw opgestarte broednest iets gemakkelijker op temperatuur houden. En vanaf dan weeg ik de kasten elke veertien dagen om ze tijdig een pak voederdeeg te kunnen geven als ze het nodig hebben.
Vandaag ben ik begonnen met de winterbehandeling van de bijenvolken. De broedloze wintertros wordt bedruppelt met een oxaalzuur-suikeroplossing om de laatste varroamijten uit het volk te bestrijden. Ik begin met het aanmaken van de oxaaloplossing. De fles Oxybee bevat het water en het oxaalzuur. De twee zakjes sacharose worden erbij gegoten en goed vermengd. Dit gebeurt best als de fles eerst wat wordt opgewarmd.
Met de fles ben ik dan naar de bijenstand gereden en elke kast is daar dan behandeld. Ongeveer vijf tot zes ml per straatje bijen. Met een maximum van 50 ml voor een groot volk. Deze zitten op zes of meer straatjes. De kleinere volkjes bezetten maar drie of vier straatjes bij de huidige temperatuur (3 graden). Deze krijgen maar een 35 ml over de tros verdeeld.
Er zijn geen bijen te zien. De verdeelflacon is vooraf al gevuld met 50 ml. De tros zit nog zeer diep tegen de voorkant. Ze hebben dus nog veel voedsel boven en achter zich. Met een lampje kan je naar beneden bijlichten en het aantal bezette straatjes tellen.De benodigde hoeveelheid wordt nu over de tros verdeeld. Niet erachter en ook niet ernaast. Daar valt de oplossing gewoon tot onder op de bodemschuif en is ze verloren.
Niet vergeten om bij het aanmaken van de oplossing en ook bij het bedruppelen handschoenen en een veiligheidsbril te gebruiken.
Ik heb vandaag al 15 volken behandeld en heb slechts één lege kast aangetroffen. Voorlopig dus nog prima.
Gisteren heb ik bij de bijenvolken even de bodemschuif bekeken. Nergens heb ik meer dan drie mijten gevonden. Dat wil zeggen na drie dagen dat er minder dan één mijt per dag valt. Dit is zeker aanvaardbaar in december. Na de bedruppeling met oxaal volgend weekend kunnen we dan vergelijken met de mijtenval na behandeling.
Begin december en weldra is het de naamdag van Sint Ambrosius, de patroonheilige van de imkers. Rond dit tijdstip plan ik meestal de winterbehandeling tegen de varroamijt. Dan verkrijg ik op deze manier de zegen voor een volgend goed imkerjaar.
Ik begin alvast met de bodemschuiven terug te plaatsen. Binnen drie dagen kan ik dan de vrije varroaval tellen en volgend weekend de behandeling doorvoeren
Daarna weeg ik de kasten. Dit geeft me een idee over de aanwezige voedervoorraad. Ze bleken allemaal prima. Begin januari weeg ik ze nog eens.
Het gewicht langs de achterkant gewogen met een unster moet ik nog met twee vermenigvuldigen voor het totaalgewicht. Onder de dertig kilo voorzie ik een pak voederdeeg.
Daarna verwijder ik het deksel en krijg zicht op het bijenvolk door het plastic. De volken zitten niet tegen het plastic. Vermits ze onder de voederkrans hangen, weet ik zeker dat ze nog een hoeveelheid voeder boven zich hebben. Zodra ze boven zijn, beweegt de tros naar achter. Nu bevindt hij zich nog aan de voorkant van de kast.
Op dit moment wil ik echter weten of de bijen broedloos zijn. Dat is namelijk het enige goede moment om een behandeling te kunnen doorvoeren met oxaalzuur tegen de gevreesde varroamijt. Een bijentros houdt het broednest steeds op 35 graden. Boven een broednest is hierdoor steeds een hogere temperatuur te meten dan naast het nest. Boven een broednest heb ik de voorbije jaren steeds temperaturen gemeten van 24-26graden. Ik meet bijgevolg even de open straatjes. Zowel aan de buitenkanten waar geen bijen zitten als de straatjes boven de tros.
De straatjes aan de zijkanten geven hier -2.1 graden. Er zitten hier geen bijen.Ook hier een vriestemperatuur en dus geen bijen.De middelste straatjes langs de voorzijde zijn duidelijk warmer. Maar de temperatuur duidt hier toch op de afwezigheid van broed.
Geen enkele kast had nog een hogere temperatuur die duidde op een aanwezig broednest. Elke kast had nog wel een trostemperatuur op de middelste straten. De bijen zijn dus nog aanwezig. En vermits ik ze niet zie tegen het plastic hebben ze nog een voederkrans boven zich.
Volgend weekend geven ze temperaturen van 1 tot 6 graden. Ik kan dus behandelen op de vlotste, snelste en eveneens de legale wijze. Ik ga bedruppelen met een oxaalzuursuikeroplossing. Volgende week meer hierover.
ik heb één van de camera’s op een andere locatie gehangen. Om de locatie te testen, heb ik een stukje vlees neergelegd. Het resultaat vind ik wel de moeite waard.
Hier ga ik even uit de doeken doen hoe ik de honing oogst en daarna klaarmaak voor gebruik. Eigen gebruik of verkoop. Alles begint bij een gezond uitgewinterd bijenvolk omstreeks half maart. Op dat moment verwijder ik de onderstaande honingbak van het volk en leg een koninginnenrooster. Hierboven komt dan de eerste honingbak. Dat is de gewoon de onderste bak maar dan met zuivere ramen. De mooiste honingramen heb ik vorig jaar na de laatste oogst in juli, gedurende 48 u in een diepvriezer gezet.
Op deze manier gaan wasmotten, hun eitjes en larven die eventueel meekomen al dood. Ik plaats ze daarna per 12 in een afgesloten container en stapel deze gewoon in de bijenhal.
In het voorjaar gebruik ik zes van deze uitgewerkte honingramen om centraal in de eerste honingbak te hangen. links en rechts hang ik dan nog drie waswafels. De uitgewinterde honingramen, die onder het volk zaten, gaan mee naar huis om te smelten. Ergens in april of mei zijn alle ramen uitgewerkt en de eerste honingramen al verzegeld. Dit zijn altijd de centrale ramen. Bij de wekelijkse controles, neem ik deze dan mee naar huis om te slingeren.
Ik hang de overige ramen naar het midden en geef langs de buitenkanten nieuwe waswafels om uit te bouwen. Zodra de zes waswafels zijn uitgewerkt, geef ik ze ook een tweede honingbak. Deze bevat alleen waswafels om uit te bouwen. Ik plaats hem altijd onder de eerste op de koninginnenrooster. Volgens mij stockeren de bijen hun honing altijd bovenaan. Dan wordt de onderste ook sneller uitgebouwd. Maar wekelijks worden er bij goede drachten verzegelde honingramen mee naar huis genomen. De eerste zes honingramen, die nog van vorig jaar waren, worden na het slingeren, gesmolten. Maar ramen die hetzelfde jaar mooi zijn uitgewerkt, hang ik wel terug na leeg slingeren. Elke oogst krijgt een ander lotnummer. De oogstdatum met een letter van de bijenstand. Bijvoorbeeld 28052021W is geoogst op 28 mei 2021 op de stand aan het Waterbroek. Deze honing krijgt dan later als uiterste gebruiksdatum eind mei 2023. Twee jaar na de oogst. Naast de oogstdatum noteer ik ook telkens het vochtgehalte van de honing. Wettelijk moet dit lager zijn dan 20% wat geen probleem is als alle cellen zijn verzegeld. Vaak haal ik 16-17%.
Zodra ik dan thuiskom met enkele gesloten containers begin ik aan het slingeren. In elke container zaten bij vertrek 12 ramen met waswafels en als ik terugkeer zitten er 9 verzegelde honingramen in diezelfde bak. Deze ramen worden ontzegeld met een elektrisch verwarmd ontzegelmes.
Ik heb een ontzegelvork geprobeerd maar dat duurt me te lang. Dat gebruik ik wel nog om enkele vlakken te ontzegelen die niet werden meegenomen met het elektrisch mes. Ook met hete lucht heb ik testen gedaan. Een haardroger werkte prima maar een verfafbrander was sneller. Alleen vliegen de wasdekseltjes rond uw oren en door het ganse slingerlokaal. Er is dan wel geen tot zeer weinig ontzegelwas. Met het elektrisch mes echter worden de spekraten mee afgesneden tot tegen het raamhout. De ramen zijn dan veel zuiverder te slingeren en er wordt zeer veel ontzegelwas geproduceerd. De honing die nog in de ontzegelbak uitlekt op deze manier wordt eveneens gezeefd en vooral door mezelf gebruikt. Om een elektrisch mes te kunnen gebruiken moeten de raampjes wel overal even dik zijn. Dus geen Hofmanraampjes maar wel afstandbleddens in de bakken.
De raampjes hangen bij mij in afstandsbleddens. Deze metalen strips zorgen er voor dat alle ramen op bijenafstand in de kast en naast elkaar blijven hangen.
Terwijl ik negen ramen ontzegel, slinger ik de negen eerder ontzegelde ramen. Door voortdurend te investeren, kan ik dit werk steeds vlotter en alleen afhandelen. Ik begon met een manuele tangentiele slinger met drie ramen. Drie broedramen of zes broedramen. Maar met een manuele slinger kun je niet tegelijk de volgende ramen ontzegelen. Ofwel werk je veel trager of je krijgt hulp van iemand. Ik heb daarom de slinger omgebouwd tot een gemotoriseerde radiaalslinger. Nu passen er negen honingramen tegelijk in en de ramen moeten niet worden gedraaid. Alle cellen worden tegelijk langs de beide kanten leeg geslingerd. Ik begin met een heel laag toerental en telkens als ik het volgende raam begin te ontzegelen, verhoog ik de draaisnelheid een klein beetje.
Ik laat de honing in de slinger tot het niveau bijna tegen de slingerkorf is gestegen. Er zijn dan al veel onzuiverheden naar boven gestegen die anders de zeven zouden verstoppen. Tijdens het wisselen van de ramen zet ik dan even de kraan open en laat een deel van de honing door een dubbele zeef lopen in een inox emmer. Als deze emmer vol is , plaats ik een nieuwe en giet de eerste over in een rijpervat.
Hier had ik de honing zonder zeven in een rijpervat gedaan om pas uren later te zeven. De meeste onzuiverheden zijn dan al opgestegen en de zeven blijven zo veel langer zuiver.
Het rijpervat blijft daarna gesloten gedurende 2 dagen en dan wordt de honing afgeschuimd. Hierdoor verwijdert men de kleine onzuiverheden die toch nog door de zeven zijn gegaan. Voorjaarshoning giet ik daarna in een automatische roerder. Gedurende ongeveer twee dagen roert deze de honing elk uur gedurende een kwartier. Dan begint voorjaarshoning vaak al te kristalliseren en worden de glazen gevuld. Voorjaarshoning is zeer zacht met kleine kristallen en is ook snel te verkopen. De klanten wachten immers al meerdere weken op de verse honing van het nieuwe jaar. Op het etiket vermeld ik daarom ook steeds ‘primeur’.
De roerautomaat die ik heb aangeschaft, kan de honing ook opwarmen indien nodig. Zodra de honing niet meer doorzichtig is, kan hij worden opgepot.
Maar zodra het seizoen vordert en er meer en meer honing wordt geoogst, ga ik anders te werk. Zeer veel glazen in een kelder nemen veel plaats in en zijn daarenboven ook zeer breekbaar. Daarom bewaar ik de grootste hoeveelheid honing in plastic zakken (Stevige zakken die in de horeca worden gebruikt om vlees sous-vide te koken). Deze zakken van 15-17 kg sluit ik af met een plastic strap en plaats ze in een plastic honingemmer. Op de emmer wordt het gewicht en het vochtgehalte genoteerd naast het lotnummer. Op deze manier kan ik op een veilige manier honderden kilo’s honing in mijn kelder opstapelen.
De honingemmers blijven op deze manier ook zuiver.Onder de keldertrap is zo plaats voor meer dan 500 kg honing.
Zodra mijn laatste glazen bijna zijn verkocht, neem ik een emmer uit de kelder en zet hem gedurende anderhalve dag in een steriliseerketel bij 35 graden. De honing wordt dus au-bain-marie terug vloeibaar en kan dan worden ingepot. Elke emmer levert dan ongeveer dertig nieuwe potten vloeibare honing.
In de steriliseerketel past een emmer perfect.Een afvulemmer met kraan op een hellend vlakje zorgt voor een simpeler vullen.
Deze honing is weliswaar even terug naar 35 graden gebracht, maar heeft hierdoor zeker niet aan kwaliteit verloren. Het grote voordeel is zelfs dat hij helemaal niet werd geroerd en bijgevolg ook geen lucht heeft opgenomen. Tijdens de zomermaanden twee maanden roeren gedurende meerdere minuten om smeerbare vaste honing te produceren is niet mijn idee van hygiënisch werken. Na het rijpervat blijft mijn honing de ganse tijd luchtdicht afgesloten. Zodra de honing vloeibaar is, snij ik de zak langs onder open in een aftapvat. Twee uur later zijn de enkele luchtbelletjes opgestegen en kan ik de honing al in glazen afvullen en direct sluiten.
De honingautomaat aan de deur wordt telkens aangevuld. Een leeg honingglas in het kastje bevat wat wisselgeld.
Op het etiket vermeld ik naast alle wettelijke informatie ook nog dat men te hard gekristalliseerde honing best terug vloeibaar kan maken door het potje even warmer te zetten maar nooit boven 40°C.
Zodra ik begon als imker was ik overtuigd van het belang van zuivere was in bijenvolken. De meeste gezondheidsproblemen die een bijenvolk echt ten gronde kunnen richten, zijn broedziekten. De varroamijt is natuurlijk de bekendste. Maar de varroamijt heeft ook veel virussen in de mogelijkheid gebracht om bijen aan te tasten. En waar bevinden deze virussen zich zoal? Overal. Maar in de onmiddellijke omgeving van de bijen hebben ze wel het meeste voordeel. Dat geldt immers voor elke ziektekiem of parasiet. Net daarom is hygiëne zo belangrijk. We houden als mensen onze woning ook zo proper mogelijk en verversen regelmatig de lakens op ons bed. Een bijenkast is ook een woning en de wasraten beschouw ik als de vloer van ons huis. Of als ons bed. De wasdekseltjes zijn dan als onze lakens. Ik begon daarom al in mijn eerste imkerjaren met de productie van eigen waswafels. Het waswafeltoestel was een dure investering, maar misschien wel de beste die ik ooit deed.
Momenteel heeft elke Vlaamse imker de mogelijkheid om waswafels te laten gieten van zijn eigen was. Dankzij de inzet van de Limburgse imkervereniging en de mensen van Lieteberg. De aanschaf van een eigen waswafeltoestel is dus niet meer nodig. Vermits ik net als alle Limburgse imkers de eerste vijf jaar gratis 20 kg was mag laten wafelen, heb ik mijn eigen toestel voorlopig opzij gezet. Vanaf dit jaar kunnen ook niet-Limburgse imkers terecht bij Lieteberg met hun eigen was.
Klaar om weg te brengen, Sommige blokken moet ik nog wat kleiner kappen.Mooie waswafels gefabriceerd bij Lieteberg vorige jaar.
Ik ververs jaarlijks bijna 100% van de raten. Ik verbruik dus zeer veel waswafels. Maar door de oude ramen te smelten bekom ik zo natuurlijk ook veel eigen was. De hoeveelheid eigen was wordt elk jaar gewoon groter. Want de bijen krijgen wel waswafels, maar ze produceren zelf veel nieuwe was. Ze werken de waswafels uit tot mooie raat. Ze maken zegeltjes om de cellen te sluiten en ze bouwen de darrenraten helemaal zelf. Het is bijgevolg perfect mogelijk om niet alle was terug om te zetten tot waswafels. Want we gebruiken bij voorkeur alleen de zuiverste was en halen de vuilste uit de kringloop. Dit is de essentie van een eigen gesloten waskringloop.
De stoomwassmelter voor 24 ramen.De was van broedramen gaat uit mijn kringloop.De stoomwassmelter kan perfect dienen als ontzegelstand.De zuivere ontzegelwas is goud waard voor de eigen imkerij.Het resultaat van een enkele stoombeurt.
Bestrijdingsmiddelen die we als imker in de kast brengen tegen de varroamijt mogen natuurlijk niet opstapelen in was. Oxaalzuur zou niet opstapelen in de was. Maar de broedramen die worden besproeid, gaan toch uit de kringloop. Het uitgesneden darrenraam is was van maximaal 3 weken oud en de zegeltjes van de honingramen zijn ook maar enkele weken oud. Deze was is dus zeer zuiver. Ik gebruik hem dan ook voor de productie van honingramen. Hoe zuiverder de was in een honingraam, hoe zuiverder de honing kan zijn. De honingramen die dadelijk na de honingoogst worden gesmolten zijn nog zuiver genoeg voor de productie van broedramen. Ze waren nog nooit bebroed en ik beschouw ze dus vrij van broedziekten. De honingramen zijn trouwens niet ouder dan vier maanden. Ik gaf ze in maart een honingzolder en slingerde de laatste keer in juli. De honingramen die ik in het vroege voorjaar onder de broedbakken weghaal, zijn wellicht nog wel een enkele keer bebroed geweest in de nazomer en ze stonden ook onder de kast tijdens de winterbehandeling. Deze was gebruik ik ook nog voor mijn broedramen, maar alleen als tweede keuze. Een reserve als het ware. Maar de vele broedramen die ik elk jaar weer smelt, leveren veel was die ik verwijder uit de kringloop. Voor de productie van kaarsen en boenwas is deze prima geschikt. Soms wordt deze was verkocht aan restaurateurs of aan mensen die batikken. Elk blok was wordt gemerkt: B voor bebroede was, H voor honingwas, Z voor zuiver van zegelwas of darrenraat.
Verontreinigingen uit de omgeving worden door de bijen natuurlijk ook binnengebracht in de kast en zo ingebouwd in de wasraten. Dat kunnen allerlei pesticiden en herbiciden zijn. Wellicht ook industriële vervuilingen. Maar hier hebben we als imker weinig controle over. Ik ga er maar van uit dat dit wel meevalt als we de raten toch jaarlijks vervangen. Hoe minder vaak bijen over de wasraten wandelen met hun vuile pootjes, hoe zuiverder de raat is bij smelten. Blijft een of ander product in de was, zelfs na uitsmelten en opnieuw uitbouwen, kan de concentratie hiervan natuurlijk steeds verhogen. Maar dat is toch niet op te lossen. Het steeds weggooien van de broedkamerwas zorgt dan wel voor een verdunning. Met 12 broedramen en 24 honingramen van halve hoogte, gooi ik jaarlijks eigenlijk de helft van de was uit mijn kringloop.
Zelfs met een goedkope ketel kokend water kan je was uitsmelten.Een simpele stoomwassmelter is een fruitontsapketel. Maar rechtstreeks uitstomen in de broedbakken kan ook met een behangafstomer.