De eerste kersen beginnen te bloesemen. Het moment om de bijenvolken naar hun zomerstand te brengen. De jonge volken die op de stand in Gerhagen overwinterden, breng ik naar het Waterbroek.





De eerste kersen beginnen te bloesemen. Het moment om de bijenvolken naar hun zomerstand te brengen. De jonge volken die op de stand in Gerhagen overwinterden, breng ik naar het Waterbroek.





Momenteel is het moment aangebroken om de voorjaarscontrole uit te voeren. Na 15 maart en bij temperaturen boven 15 graden wordt altijd aangeraden. Eerst en vooral zorg ik voor voldoende broedramen die voorzien werden van nieuwe waswafels. Ik bekijk eerst de onderste lade. Normaal geeft die een goed idee over de grootte van het volk. Ik heb liefst dat de bodemplaat nu volledig is bedekt met mul. Het volk bezet dan de ganse bak. Als er ook veel stuifmeel op ligt, weet ik zeker dat er een goede koningin aan de leg is. Hierna verwijder ik het deksel en het plastic samen met de lege zak voederdeeg. Het plastic vervang ik bij het sluiten door een nieuw exemplaar. De ramen worden dan gecontroleerd. Ik begin links met het eerste voerraam. Dit moet mooi gevuld zijn. Dan snij ik het darrenraam uit. Ook dit zit nog vol voer. Hiernaast komt een raam met stuifmeel en dan alle ramen met broed. Gemiddeld zijn er dat zes op dit moment. Ik hang daarnaast nog twee waswafels en eindig met een vol voerraam.
Gisteren vond ik een volk met een darrenraam dat reeds was belegd. De twee buitenste ramen waren vol voer, maar wit verzegeld voor een groot deel. Dit was dus al vers opgehaalde honing. De andere negen ramen bevatten grote vlakken verzegeld broed onder een voederkrans. Dit volk is dus eigenlijk al gigantisch. Hier heb ik dan maar een koninginnenrooster opgelegd en een eerste honingbak. Een honingbak die de andere volken pas volgende week krijgen. Centraal hang ik in de honingbak zes uitgewerkte ramen en daarnaast telkens drie waswafels.
Ik noteer mijn bevindingen achter op de kast met krijt en neem op het einde een foto van elke kast. Thuisgekomen kan ik dan de nieuwe kastkaarten voor dit jaar klaarmaken. Ik noteer ook welke kasten ter plaatse blijven en welke naar een andere locatie vertrekken volgende week.

Ik heb spijtig genoeg vier kasten gevonden met uitsluitend darrenbroed. Deze worden volgende week nog opgeruimd. Enkele volken die ik als klein catalogeer, plaats ik morgen op elkaar. Ik zet nooit een zwak volk op een sterk. Het zou zo maar even het sterke volk kunnen ziek maken. Ik zet alleen twee zwakke volken op elkaar en hoop dan dat ze elkaar versterken en eind april op één broedbak kunnen. Er zal dan maar één koningin zijn en hopelijk voldoende broedramen om één bak te vullen. Ik geef ze in elk geval volgende week eveneens een honingbak.
De honingbakken zijn nu allemaal thuis. Een mooi moment om ze even een nieuw laagje verf te geven. De cederbakken hou ik ongeverfd. Maar ander hout kan wel een beschermlaag gebruiken. Met een spuitpistool en een restant oude muurverf duurt dit zelfs geen half uur.

Deze week heb ik alle onderstaande honingbakken verwijderd. De honingbakken zijn zuiver gekrabd en de ramen liggen klaar om te smelten.







De eerste wilgenkatjes zijn geopend om hun gele stuifmeel aan te bieden. Uitgerekend op de dag dat de Belgen weer kunnen uitgaan en hun ‘knaldrang’ botvieren, geldt dat ook voor de bijen.



Vandaag droog zonnig weer met een aangename temperatuur van 11graden. Het ideale moment om even naar de bijenstand te gaan.

Bij deze temperatuur kan ik gerust zijn om de kast even te bekijken en wat voer bij te geven. De meeste volken zitten nu boven, vlak onder het dekplastic. Sommigen zelfs al iets naar de achterkant. Hoog tijd dus om bij te voeren.



De was is terug van Lieteberg. 20 kg eigen was tot Kempische waswafels herleidt. We kunnen er weer tegen.

De voorbije dagen werd er in de schapenstal geen enkele rat meer gevangen. Voorheen zat er bijna dagelijks een rat in de oude kattenval. Ik lokte ze er in met blokjes rattengif waar ze blijkbaar verzot op zijn. De val was al meer dan een week niet meer voorzien van aas, maar stond nog wel op scherp. En vandaag was ze weer dichtgeklapt. Een groot bunzingmannetje had zich in de val vastgelopen. De ganse schapenstal stonk naar bunzing. Ik heb hem voorzichtig terug vrijgelaten waarna hij onder de stapel hooibalen verdween. Deze knaap zorgde er voor dat er geen ratten meer in de stal zijn. Ze vinden die namelijk zeer lekker. De achtergebleven deodorant in de stal gaat nog wel enkele weken de ratten verjagen. Een tweetal jaar geleden is dit nog eens gebeurd en ook toen heb ik nog vele weken geen rat meer gevonden. Ook hun graafgangen bleven dicht. Ik zou liever hebben dat de bunzing definitief zijn intrek nam in de schapenstal, maar zonder ratten zal hij vermoedelijk verderop gaan jagen. Om dan terug te keren als er weer voldoende prooien zijn.
Ongeveer elke vier jaar knot ik de wilgen langs de perceelsgrenzen. Op deze manier hoef ik slechts een 25 % te doen elk jaar. De 75 % die ik niet snoei, leveren nog veel stuifmeel voor de bijen. Maar het gaat dan ook over ongeveer 250 knotwilgen in totaal.

De platwilgen beginnen reeds te knoppen en de hazelaars hangen vol stuifmeelkaarsjes. Maar voor de bijen begint het pas tegen februari als de hazelaars het stuifmeel lossen.