9 februari 2022

Vandaag droog zonnig weer met een aangename temperatuur van 11graden. Het ideale moment om even naar de bijenstand te gaan.

Veel activiteit aan de vliegopening. Deze staat nog steeds zeer klein.

Bij deze temperatuur kan ik gerust zijn om de kast even te bekijken en wat voer bij te geven. De meeste volken zitten nu boven, vlak onder het dekplastic. Sommigen zelfs al iets naar de achterkant. Hoog tijd dus om bij te voeren.

Een half pak per volk is 1,25 kg suikerdeeg. Ik snijd een pak simpel in twee en langs de geopende kant kunnen de bijen naar binnen.
De uitvliegende bijen zijn niet alleen op zoek naar water of een toiletgelegenheid. Ze kunnen natuurlijk ook niet weerstaan aan de geur van deze struik als ze er passeren: Viburnum bodnantense.
Mijn winterakonieten zijn nog niet talrijk genoeg om bijen te lokken. Geef ze nog een paar jaar de tijd. Maar zelfs enkele honderden op een paar vierkante meter kunnen niet op tegen één struik van de sneeuwbal in dit seizoen.

Waswafels

De was is terug van Lieteberg. 20 kg eigen was tot Kempische waswafels herleidt. We kunnen er weer tegen.

De voorbije dagen werd er in de schapenstal geen enkele rat meer gevangen. Voorheen zat er bijna dagelijks een rat in de oude kattenval. Ik lokte ze er in met blokjes rattengif waar ze blijkbaar verzot op zijn. De val was al meer dan een week niet meer voorzien van aas, maar stond nog wel op scherp. En vandaag was ze weer dichtgeklapt. Een groot bunzingmannetje had zich in de val vastgelopen. De ganse schapenstal stonk naar bunzing. Ik heb hem voorzichtig terug vrijgelaten waarna hij onder de stapel hooibalen verdween. Deze knaap zorgde er voor dat er geen ratten meer in de stal zijn. Ze vinden die namelijk zeer lekker. De achtergebleven deodorant in de stal gaat nog wel enkele weken de ratten verjagen. Een tweetal jaar geleden is dit nog eens gebeurd en ook toen heb ik nog vele weken geen rat meer gevonden. Ook hun graafgangen bleven dicht. Ik zou liever hebben dat de bunzing definitief zijn intrek nam in de schapenstal, maar zonder ratten zal hij vermoedelijk verderop gaan jagen. Om dan terug te keren als er weer voldoende prooien zijn.

Knotwilgen

Ongeveer elke vier jaar knot ik de wilgen langs de perceelsgrenzen. Op deze manier hoef ik slechts een 25 % te doen elk jaar. De 75 % die ik niet snoei, leveren nog veel stuifmeel voor de bijen. Maar het gaat dan ook over ongeveer 250 knotwilgen in totaal.

De dikke takken worden later nog op maat gezaagd tot haardhout. De dunne twijgen heb ik direct verhakseld op het wandelpad.

De platwilgen beginnen reeds te knoppen en de hazelaars hangen vol stuifmeelkaarsjes. Maar voor de bijen begint het pas tegen februari als de hazelaars het stuifmeel lossen.

Resultaat winterbehandeling

De donkerbruine glanzende rondjes zijn gevallen varroamijten.

De meeste volken vertonen na een week een mijtenval van 50 tot 100 mijten. Drie volken spanden echter de kroon en lieten een veel grotere hoeveelheid optekenen. Dit waren wel de grootste en sterkste volken. Dat zijn vermoedelijk ook diegene die het langst een groot broednest hadden. Hier heeft de varroamijt natuurlijk van mee geprofiteerd. Of het nu gebeurt door de hoeveelheid parasiterende varroamijten of door allerlei virusziekten die ze overbrengen, maakt geen verschil uit. Zonder winterbehandeling is zulk bijenvolk ten dode opgeschreven. En meestal waren het dan de beste volken van het voorbije jaar.

Oxaalzuur druppelen

Vandaag ben ik begonnen met de winterbehandeling van de bijenvolken. De broedloze wintertros wordt bedruppelt met een oxaalzuur-suikeroplossing om de laatste varroamijten uit het volk te bestrijden. Ik begin met het aanmaken van de oxaaloplossing. De fles Oxybee bevat het water en het oxaalzuur. De twee zakjes sacharose worden erbij gegoten en goed vermengd. Dit gebeurt best als de fles eerst wat wordt opgewarmd.

Met de fles ben ik dan naar de bijenstand gereden en elke kast is daar dan behandeld. Ongeveer vijf tot zes ml per straatje bijen. Met een maximum van 50 ml voor een groot volk. Deze zitten op zes of meer straatjes. De kleinere volkjes bezetten maar drie of vier straatjes bij de huidige temperatuur (3 graden). Deze krijgen maar een 35 ml over de tros verdeeld.

Er zijn geen bijen te zien. De verdeelflacon is vooraf al gevuld met 50 ml.
De tros zit nog zeer diep tegen de voorkant. Ze hebben dus nog veel voedsel boven en achter zich. Met een lampje kan je naar beneden bijlichten en het aantal bezette straatjes tellen.
De benodigde hoeveelheid wordt nu over de tros verdeeld. Niet erachter en ook niet ernaast. Daar valt de oplossing gewoon tot onder op de bodemschuif en is ze verloren.

Niet vergeten om bij het aanmaken van de oplossing en ook bij het bedruppelen handschoenen en een veiligheidsbril te gebruiken.

Ik heb vandaag al 15 volken behandeld en heb slechts één lege kast aangetroffen. Voorlopig dus nog prima.

Controle van de bijenvolken op 5 december 2021

Begin december en weldra is het de naamdag van Sint Ambrosius, de patroonheilige van de imkers. Rond dit tijdstip plan ik meestal de winterbehandeling tegen de varroamijt. Dan verkrijg ik op deze manier de zegen voor een volgend goed imkerjaar.

Ik begin alvast met de bodemschuiven terug te plaatsen. Binnen drie dagen kan ik dan de vrije varroaval tellen en volgend weekend de behandeling doorvoeren

Daarna weeg ik de kasten. Dit geeft me een idee over de aanwezige voedervoorraad. Ze bleken allemaal prima. Begin januari weeg ik ze nog eens.

Het gewicht langs de achterkant gewogen met een unster moet ik nog met twee vermenigvuldigen voor het totaalgewicht. Onder de dertig kilo voorzie ik een pak voederdeeg.

Daarna verwijder ik het deksel en krijg zicht op het bijenvolk door het plastic. De volken zitten niet tegen het plastic. Vermits ze onder de voederkrans hangen, weet ik zeker dat ze nog een hoeveelheid voeder boven zich hebben. Zodra ze boven zijn, beweegt de tros naar achter. Nu bevindt hij zich nog aan de voorkant van de kast.

Op dit moment wil ik echter weten of de bijen broedloos zijn. Dat is namelijk het enige goede moment om een behandeling te kunnen doorvoeren met oxaalzuur tegen de gevreesde varroamijt. Een bijentros houdt het broednest steeds op 35 graden. Boven een broednest is hierdoor steeds een hogere temperatuur te meten dan naast het nest. Boven een broednest heb ik de voorbije jaren steeds temperaturen gemeten van 24-26graden. Ik meet bijgevolg even de open straatjes. Zowel aan de buitenkanten waar geen bijen zitten als de straatjes boven de tros.

De straatjes aan de zijkanten geven hier -2.1 graden. Er zitten hier geen bijen.
Ook hier een vriestemperatuur en dus geen bijen.
De middelste straatjes langs de voorzijde zijn duidelijk warmer. Maar de temperatuur duidt hier toch op de afwezigheid van broed.

Geen enkele kast had nog een hogere temperatuur die duidde op een aanwezig broednest. Elke kast had nog wel een trostemperatuur op de middelste straten. De bijen zijn dus nog aanwezig. En vermits ik ze niet zie tegen het plastic hebben ze nog een voederkrans boven zich.

Volgend weekend geven ze temperaturen van 1 tot 6 graden. Ik kan dus behandelen op de vlotste, snelste en eveneens de legale wijze. Ik ga bedruppelen met een oxaalzuursuikeroplossing. Volgende week meer hierover.

De honingoogst

Hier ga ik even uit de doeken doen hoe ik de honing oogst en daarna klaarmaak voor gebruik. Eigen gebruik of verkoop. Alles begint bij een gezond uitgewinterd bijenvolk omstreeks half maart. Op dat moment verwijder ik de onderstaande honingbak van het volk en leg een koninginnenrooster. Hierboven komt dan de eerste honingbak. Dat is de gewoon de onderste bak maar dan met zuivere ramen. De mooiste honingramen heb ik vorig jaar na de laatste oogst in juli, gedurende 48 u in een diepvriezer gezet.

Op deze manier gaan wasmotten, hun eitjes en larven die eventueel meekomen al dood. Ik plaats ze daarna per 12 in een afgesloten container en stapel deze gewoon in de bijenhal.

In het voorjaar gebruik ik zes van deze uitgewerkte honingramen om centraal in de eerste honingbak te hangen. links en rechts hang ik dan nog drie waswafels. De uitgewinterde honingramen, die onder het volk zaten, gaan mee naar huis om te smelten. Ergens in april of mei zijn alle ramen uitgewerkt en de eerste honingramen al verzegeld. Dit zijn altijd de centrale ramen. Bij de wekelijkse controles, neem ik deze dan mee naar huis om te slingeren.

Ik hang de overige ramen naar het midden en geef langs de buitenkanten nieuwe waswafels om uit te bouwen. Zodra de zes waswafels zijn uitgewerkt, geef ik ze ook een tweede honingbak. Deze bevat alleen waswafels om uit te bouwen. Ik plaats hem altijd onder de eerste op de koninginnenrooster. Volgens mij stockeren de bijen hun honing altijd bovenaan. Dan wordt de onderste ook sneller uitgebouwd. Maar wekelijks worden er bij goede drachten verzegelde honingramen mee naar huis genomen. De eerste zes honingramen, die nog van vorig jaar waren, worden na het slingeren, gesmolten. Maar ramen die hetzelfde jaar mooi zijn uitgewerkt, hang ik wel terug na leeg slingeren. Elke oogst krijgt een ander lotnummer. De oogstdatum met een letter van de bijenstand. Bijvoorbeeld 28052021W is geoogst op 28 mei 2021 op de stand aan het Waterbroek. Deze honing krijgt dan later als uiterste gebruiksdatum eind mei 2023. Twee jaar na de oogst. Naast de oogstdatum noteer ik ook telkens het vochtgehalte van de honing. Wettelijk moet dit lager zijn dan 20% wat geen probleem is als alle cellen zijn verzegeld. Vaak haal ik 16-17%.

Zodra ik dan thuiskom met enkele gesloten containers begin ik aan het slingeren. In elke container zaten bij vertrek 12 ramen met waswafels en als ik terugkeer zitten er 9 verzegelde honingramen in diezelfde bak. Deze ramen worden ontzegeld met een elektrisch verwarmd ontzegelmes.

Ik heb een ontzegelvork geprobeerd maar dat duurt me te lang. Dat gebruik ik wel nog om enkele vlakken te ontzegelen die niet werden meegenomen met het elektrisch mes. Ook met hete lucht heb ik testen gedaan. Een haardroger werkte prima maar een verfafbrander was sneller. Alleen vliegen de wasdekseltjes rond uw oren en door het ganse slingerlokaal. Er is dan wel geen tot zeer weinig ontzegelwas. Met het elektrisch mes echter worden de spekraten mee afgesneden tot tegen het raamhout. De ramen zijn dan veel zuiverder te slingeren en er wordt zeer veel ontzegelwas geproduceerd. De honing die nog in de ontzegelbak uitlekt op deze manier wordt eveneens gezeefd en vooral door mezelf gebruikt. Om een elektrisch mes te kunnen gebruiken moeten de raampjes wel overal even dik zijn. Dus geen Hofmanraampjes maar wel afstandbleddens in de bakken.

De raampjes hangen bij mij in afstandsbleddens. Deze metalen strips zorgen er voor dat alle ramen op bijenafstand in de kast en naast elkaar blijven hangen.

Terwijl ik negen ramen ontzegel, slinger ik de negen eerder ontzegelde ramen. Door voortdurend te investeren, kan ik dit werk steeds vlotter en alleen afhandelen. Ik begon met een manuele tangentiele slinger met drie ramen. Drie broedramen of zes broedramen. Maar met een manuele slinger kun je niet tegelijk de volgende ramen ontzegelen. Ofwel werk je veel trager of je krijgt hulp van iemand. Ik heb daarom de slinger omgebouwd tot een gemotoriseerde radiaalslinger. Nu passen er negen honingramen tegelijk in en de ramen moeten niet worden gedraaid. Alle cellen worden tegelijk langs de beide kanten leeg geslingerd. Ik begin met een heel laag toerental en telkens als ik het volgende raam begin te ontzegelen, verhoog ik de draaisnelheid een klein beetje.

Ik laat de honing in de slinger tot het niveau bijna tegen de slingerkorf is gestegen. Er zijn dan al veel onzuiverheden naar boven gestegen die anders de zeven zouden verstoppen. Tijdens het wisselen van de ramen zet ik dan even de kraan open en laat een deel van de honing door een dubbele zeef lopen in een inox emmer. Als deze emmer vol is , plaats ik een nieuwe en giet de eerste over in een rijpervat.

Hier had ik de honing zonder zeven in een rijpervat gedaan om pas uren later te zeven. De meeste onzuiverheden zijn dan al opgestegen en de zeven blijven zo veel langer zuiver.

Het rijpervat blijft daarna gesloten gedurende 2 dagen en dan wordt de honing afgeschuimd. Hierdoor verwijdert men de kleine onzuiverheden die toch nog door de zeven zijn gegaan. Voorjaarshoning giet ik daarna in een automatische roerder. Gedurende ongeveer twee dagen roert deze de honing elk uur gedurende een kwartier. Dan begint voorjaarshoning vaak al te kristalliseren en worden de glazen gevuld. Voorjaarshoning is zeer zacht met kleine kristallen en is ook snel te verkopen. De klanten wachten immers al meerdere weken op de verse honing van het nieuwe jaar. Op het etiket vermeld ik daarom ook steeds ‘primeur’.

De roerautomaat die ik heb aangeschaft, kan de honing ook opwarmen indien nodig.
Zodra de honing niet meer doorzichtig is, kan hij worden opgepot.

Maar zodra het seizoen vordert en er meer en meer honing wordt geoogst, ga ik anders te werk. Zeer veel glazen in een kelder nemen veel plaats in en zijn daarenboven ook zeer breekbaar. Daarom bewaar ik de grootste hoeveelheid honing in plastic zakken (Stevige zakken die in de horeca worden gebruikt om vlees sous-vide te koken). Deze zakken van 15-17 kg sluit ik af met een plastic strap en plaats ze in een plastic honingemmer. Op de emmer wordt het gewicht en het vochtgehalte genoteerd naast het lotnummer. Op deze manier kan ik op een veilige manier honderden kilo’s honing in mijn kelder opstapelen.

De honingemmers blijven op deze manier ook zuiver.
Onder de keldertrap is zo plaats voor meer dan 500 kg honing.

Zodra mijn laatste glazen bijna zijn verkocht, neem ik een emmer uit de kelder en zet hem gedurende anderhalve dag in een steriliseerketel bij 35 graden. De honing wordt dus au-bain-marie terug vloeibaar en kan dan worden ingepot. Elke emmer levert dan ongeveer dertig nieuwe potten vloeibare honing.

In de steriliseerketel past een emmer perfect.
Een afvulemmer met kraan op een hellend vlakje zorgt voor een simpeler vullen.

Deze honing is weliswaar even terug naar 35 graden gebracht, maar heeft hierdoor zeker niet aan kwaliteit verloren. Het grote voordeel is zelfs dat hij helemaal niet werd geroerd en bijgevolg ook geen lucht heeft opgenomen. Tijdens de zomermaanden twee maanden roeren gedurende meerdere minuten om smeerbare vaste honing te produceren is niet mijn idee van hygiënisch werken. Na het rijpervat blijft mijn honing de ganse tijd luchtdicht afgesloten. Zodra de honing vloeibaar is, snij ik de zak langs onder open in een aftapvat. Twee uur later zijn de enkele luchtbelletjes opgestegen en kan ik de honing al in glazen afvullen en direct sluiten.

De honingautomaat aan de deur wordt telkens aangevuld. Een leeg honingglas in het kastje bevat wat wisselgeld.

Op het etiket vermeld ik naast alle wettelijke informatie ook nog dat men te hard gekristalliseerde honing best terug vloeibaar kan maken door het potje even warmer te zetten maar nooit boven 40°C.