Imker in spe

Het zal in de zomer van 1964 of 1965 geweest zijn. Gust van Janen had me pas het verschil geleerd tussen een hemelbieke en een ander bieke. De biekes die in zijn boomgaard stonden, konden steken maar een hemelbieke had geen angel. Die hingen stil te zweven boven een bloem en als je snel was, kon je die met je hand vangen. Mijn grootvader, Gust Jannes, had in zijn boomgaard enkele bijenkasten staan. De kasten waren van zijn neef Charel Jannes. En mijn moeder was er als de dood voor. Ze moest niks hebben van die steekbeesten en zorgde er voor dat haar kinderen er zeker uit de buurt bleven. De angst voor bijen werd er bij mij als het ware met de paplepel ingegoten. Maar onze va was een plaaggeest en greep regelmatig een hemelbieke om ons de stuipen op het lijf te jagen. Een hemelbieke of blinde bij is eigenlijk een zweefvlieg. Ze waant zich veiliger door zich voor te doen als een echte bij. Dit noemt men mimicry. Deze zweefvlieg is natuurlijk niet echt blind maar de term werd vroeger gebruikt om aan te geven dat ze niet stak. Zoiets als een granaat die niet ontploft, een blindganger dus. De blinde bij heeft net als de honingbij ook gele en zwarte banden op haar achterlijf die elkaar afwisselen. Maar ze lopen niet volledig door en daardoor kon je ze herkennen. Tellen van de vleugels kon ook maar was wat moeilijker als ze niet stil zaten. Telkens ik er in slaagde om er eentje te vangen in mijn kleuterhandjes rende ik er mee naar mijn moeder om haar te doen schrikken. Va vond het schitterend maar vond het al snel te simpel. Hij leerde me dan als volgende stap ook het verschil tussen een dar en een werksterbij. De mannelijke honingbij, de dar, heeft namelijk ook geen angel en kan bijgevolg ook niet steken. De dar heeft hele grote ogen die elkaar boven op de kop zelfs raken. Daar moest ik het dus mee doen. Gewapend met die nieuwe wijsheid, trok ik naar de tuin. Ik zag inderdaad bijen met opvallend grotere ogen en probeerde er zo eentje te grijpen. Raakten de oogjes van die ene bij nu elkaar of niet? Ik was ze ondertussen al zeer dicht genaderd. Het was nu of nooit. Ik sloeg toe en had beet. Maar blijkbaar stonden de oogjes van dit exemplaar toch wat verder uit elkaar. Een vlammende pijn schoot door mijn handje. Een pijn die ik me vandaag nog kan herinneren. Huilend van de pijn liep ik naar mijn moeder die nu blijkbaar gerustgesteld was. Ik zou in het vervolg wel wegblijven van die bijenkasten.